Kolonie van Weldadigheid Drenthe

Kolonie van Weldadigheid Drenthe

Nederland in de negentiende eeuw, plaatsen van herinnering, Jan Bank en Marita Mathijsen, uitg. Bert Bakker, 2006

Frederiksoord en de droom van een wereld zonder armoede, Landbouwkoloniën in eigen land

Het was een combinatie van 18e-eeuwse verlichtingsdenkbeelden en 19e-eeuwse romantische dromen, die Johannes van der Bosch aandreef. Armoede, om eten bedelende kinderen, om werk bedelende vaders, krachteloze moeders, te ziek om voor de kinderen te zorgen. Als mensen die het beter hadden wat geld bij elkaar zouden brengen om woeste grond aan te kopen, die ontgonnen zou worden door deze paupers, dan werd de armoede bestreden, werden de woeste gronden ontgonnen en de landbouw vooruit gebracht.

De armen werden geholpen, maar gingen niet vooruit. In zijn Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering, en de belangrijkste voor deelen eener Algemeene Armen-Inrigting in het Rijk der Nederlanden, door het vestigen eener Landbouwende Kolonie in deszelfs noordelijk gedeelte zette Van der Bosch uiteen hoe dat anders zou kunnen.

Het verstandelijk en zedelijk onderwijs zal de hoogste aandacht verdienen, dewijl dit als het eenige middel moet beschouwd worden om deze klasse van menschen, veelal tot den laagsten stap van verbastering weggezonken, wederom uit hunnen dierlijken staat op te beuren en te veredelen.

Van der Bosch kocht het Landgoed Westerbeeksloot van 650 hectare in de gemeente Vledder in zuidwest Drenthe. Op 25-8-1818 legde hij zelf de eerste steen voor de eerste kolonistenwoning op de woeste gronden. In november waren 52 huisjes klaar en in dezelfde maand kwamen de eerste gezinnen aan in Frederiksoord, genoemd naar de beschermheer prins Frederik, die bekend stond om zijn goedgeefsheid. Ze kregen een stenen huisje met rieten dak van 20 vierkante meter, met boven 2 slaapkamertjes, achter het huis een houten uitbouw met een stalletje voor een schaap. Per huisje was er 3 hectare grond, in een drieslag, bebouwen, braak liggen en voor stookhout.

Waterput, spinzaal, kookhuis, centrale magazijnen. Kinderen moesten van hun 5 e tot 12 e naar school, daarna was er een avondschool.

Kolonistenwoning

Dat door gezamenlijke aanpak een maatschappelijke schande kon worden aangepakt sprak de betere standen aan. In 1819 waren er 22.478 daadwerkelijke bijdragers.

De tweede kolonie werd in 1819 geopend. De derde kolonie, Willemsoord lag in Steenwijkerwold, aan het eind waren er 7 kolonies. In totaal bouwde men 400 woningen en 20 huizen voor wijkmeesters op de Vrije Koloniën.

Kolonie 1822

In 1823 sloot de Maatschappij van Weldadigheid een contract af om verlaten kinderen, wezen, bedelaars, enz op te nemen in Ommerschans en Veenhuizen.

In 1823 bezochten de studenten Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep de kolonies. Misstanden in Ommerschans: Wie niet werkt zal niet eten. Kinderen moesten de helft van hun eten zelf verdienen. Wie moet werken kan niet naar school. Wie ziek was kon niet werken, en kreeg dus geen eten.

Willemsoord- bewoners en hoog bezoek

Gemeentelijke subsidie voor het Weeshuis

Het Weeshuis van Texel was lang in staat geweest de weeskinderen te onderhouden uit de binnenkomende opbrengsten van land- en kamerverhuur en watergelden. In de Franse tijd kwam enorm veel geld binnen. In 1811 was de winst op het water netto 3126.11.8, in 1812 6145.14.10, in 1813 6266.8.4. Al dat geld moest worden belegd in 'Nationale Losrente', welke aandelen niets meer waard waren toen de Fransen verdreven werden.

In 1814 werd er nauwelijks vraag naar water. Pas in 1815, toen de Koning der Nederlanden zijn vloot opbouwde, nam de vraag weer wat toe. Aangezien de Weeskinderen wel moesten eten, was de Gemeente Texel gedwongen jaarlijks 1500 gulden subsidie te geven. Door de zware tijden waren er twee keer zoveel kinderen in het Weeshuis als voorheen.

Aanbod van de Maatschappij van Weldadigheid

Naar Fredriks-oord

Eerste plannen Commissie van Weldadigheid. Burgemeester Reinbach was wel enthousiast, bij het Algemeen Armbestuur had men al lijstjes gemaakt van in aanmerking komende 'voorwerpen'. De Texelse bevolking was echter tegen en de Regenten van het Weeshuis ook.

N 20 6-3-1820 Gouverneur, Eerste plannen Commissie van Weldadigheid. Reinbach was wel enthousiast:

Ingevolge Uwer Excellenties Missive van rappel van den 23sten februarij N 122/590 (mij niet vóór den 4en dezer in handen gekomen) heb ik de Eer Uwe Excellentie, bij deze, te informeren:

Dat reeds kort na het ontvangen van Uwen Excellenties Circulaire van den 15 September des vorigen Jaars, N 633/3455, in eene opzettelijke daartoe aangelegde Conferentie,- tot welke ik, behalve Heeren Assesoren dezer gemeente ook had uitgenoodigd de Leden der Sub- Commissie van Weldadigheid, alhier gevestigd,-

Zeer rijpelijk en met al dien ernst welke het gewicht der zake vordert is overwogen het plan, omtrent de overneming van Wezen- en Armen kinderen, door de Commissie van Weldadigheid voorgedragen, en door Uwe Excellentie, bij gezegde Circulaire, den gemeente Besturen kenbaar gemaakt en toegelicht.

Dat het gevolg der overweging destijds is geweest eene algemeene overtuiging van de alleszins voordeelige Strekking van dat plan inzonderheid ook voor deze Gemeente, in welke de Subsidien, die Jaarlijks het onderhoud van Wezen en armen moeten worden verstrekt, een zoo aanmerkelijk gedeelte der plaatselijken laten uitmaken.-

Dat dan ook dadelijk het gezegde plan ter kennisse is gebragt van eene Commissie uit Regenten van het Weeshuis alhier, en aan dezelve voorgehouden het voordeel, 't welk de aanneming van het zelve zoude ten gevolge hebben, doch dat gezegde Commissie, wel verre van in ons gevoelen te deelen, integendeel heeft verklaard, dat Regenten nimmer tot zoodanige overgifte van aan hun toebetrouwde Wezen, ten zij daartoe van hooger hand stellig gelast, zouden overgaan; gelijk deze verklaring dan ook vervolgens, bij eene nadere gelegenheid, in naam van alle de Regenten is herhaald en bevestigd geworden.

Daar het mij nu steeds is toegeschenen, zoo uit het plan zelve, zoodanig dat bij Uwer Excellenties gezegde Circulaire en in het tijdschrift de Star is voorgesteld en ontwikkeld, als uit den aard der zake voorttevloeyen dat de eigenlijke beslissing of van de aanbiedingen der Maatschappij zal worden gebruik gemaakt, in de eerste plaats toekomt aan Weesvoogden en Armbezorgers, en dat dus, eerst na dezer toetreding tot het plan, de bemoeijingen der Gemeente besturen zich alleen hebben te bepalen tot de guarantie der alsdan Casuquo aantegane Contracten; zoo heb ik dan ook gemeend gezegde Regenten tot het accepteren der voorgestelde overeenkomst niet te kunnen noch te mogen noodzaken, Ja zelfs ongepast geoordeeld maatregelen tot dat einde te provoceren; en zulks te minder, daar ik mij nog altoos hadde gevleid, dat Regenten, bij nader inzien der onberekenbare voordeelen, welke het plan ook zelfs voor hun gesticht, aanbiedt, te eenigen tijd wel van gevoelen zoude veranderen.-

Het is er echter verre af, dat dit laatste het geval zoude zijn, dat ik, integendeels, thans veeleer reden meen te hebben om te veronderstellen, dat dit besluit onwrikbaar zij, waartoe misschien de publieke opinie bij het gros der Ingezetenen dezer gemeente (die dit plan van de Maatschappij niet zeer gunstig schijnt te zijn) wel iets zal toebrengen.

Intusschen lijdt het geen twijfel of de Raad dezer gemeente zoude dadelijk besluiten om de overeenkomsten te guaranderen, welke Regenten van het weeshuis, zoo wel als het Algemeen Armen bestuur, ter dezer zake met de Commissie van Weldadigheid zoude mogen komen aantegaan; daar toch beide die administratien thans veel aanmerkelijker Subsidien vereischen dan zij behoeven zouden, ingevalle derzelver uitgaven, door het aangaan van doelmatige arrangementen met die Commissie, werden verminderd, en er alzoo geene vreeze hoegenaamd kan bestaan dat zoodanige guarantie immer ten nadeele der gemeentekas zou kunnen uitloopen.-

Tenslotte kan ik hier nog bijvoegen, dat het alhier bestaand Algemeen Armen Bestuur, in Zamenstemming met de Sub-Commissie van Weldadigheid werkzaam is om tenminste een zestal van de onder deszelfs beheering staande Armen kinderen bij de Maatschappij te plaatsen, waaromtrent ik mij, in der tyd, de Zaak zoo verre gevorderd zijnde, ter bekominh der vereischt wordende Sanctie, aan HEGA de Heeren GS zal adresseren.-

Consideratien nopens het Rapport der Commissie tot onderzoek van den finantieëlen Staat van het Weeshuis, en de daarbij overgelegde begrooting voor het gesticht 1820

GAT 1249

Daar de overgelegde begrooting,- hoezeer dan ook eene navolging (wat de vorm betreft) van die, welke jaarlijks door de gemeenten wordt gearresteerd,- niet geschikt scheen om een klaar denkbeeld te geven van den waren Staat van het Weeshuis over 1820; zoo is, vóór alles, noodig geweest de voorgedragene en goedgekeurde ontvangsten en uitgaven over dat jaar te rangschikken onder zekere rubrieken, waardoor, met een oog-opslag, zou kunnen worden gezien, wat elk object [persoon] oplevert of kost.

Dit dan ook op den bygevoegden Staat A gedaan zynde, zoo is gebleken, dat de Commissie zich merkelijk abuseert, wanneer zy, bij haar rapport, zegt: dat de kinderen nu voortaan maar

f 90,- zullen kosten; daar het, integendeel, blijkt, dat de kosten, die alleen voor en om de kinderen worden gemaakt, bedragen f 4904,-, en dus over 50 kinderen (zoo als de Commissie rekent), ruim f 98,- voor ieder kind.

Men zou echter van de gezegde f 4904,- kunnen aftrekken de Som van f 290,-, wegens voordeelen, door de kinderen aangebragt; in welk geval dezelve, door elkander gerekend, slechts even f 92,- per hoofd zouden kosten; doch, daar deze Som van f 290,-, voor ruim de helft, van één enkel kind voortspruit dat met 1825 het huis verlaat, zoo zou die berekening, als op een casuëel en temporair inkomen gebaseerd, niet juist zijn.

De f 140,- die de kinderen als verdiensten inbrengen, zouden van de meergezegde f 4904,- kunnen worden gekort, en alzoo ieder kind op f 95,- kunnen berekend worden; doch dit is dan ook eigenlijk het geen, voor ieder kind, aan zijne eigene verdiensten moet worden gesuppleerd, en niet den prijs, waarvoor ieder kind in het Weeshuis kan onderhouden worden.

Wij nemen voorts aan, dat alle de overige posten door de Commissie wél en naauwkeurig zijn berekend; ofschoon wij, als daartoe geene genoegzame inzage gehad hebbende, ons dezelve niet juist kunnen oordeelen; Alleen merken wij aan, dat de Interessen thans niet bedragen f 550,- maar f 577,50- Gemakshalve echter en om geene verwarring te veroorzaken, zijn alle posten juist zóó overgebragt als dezelve door de Commissie zijn bepaald.

Doch, wat is nu het resultaat van dit rapport en de daarbij overgelegde begrooting?…

Door alle mogelijke bezuinigingen kan men het niet verder brengen dan dat, met eene Subsidie, van wegen het Eiland, van f 2500,-, in 1820 slechts f 500,- kan worden afgedaan van den schuld van f 2033,32; Terwijl het gunstigste dat de Commissie zich, bij haar rapport, voor 1821 voorstelt, is: dat de aflossing der Oude Schuld (dat is de f 1533,32, die, na de in 1820 te doen gedeeltelijke aflossing, nog schuldig blijft) zal kunnen worden vergroot, en daarentegen de jaarlijkse Subsidie uit de Eilandskas, zoo niet verminderd, ten minsten op den ouden voet zal kunnen blijven.

Wat wint dus het Weeshuis bij zoodanig plan? Niets anders, dan dat, na verloop van één jaar, de Schuld met de gezegde f 500,- verminderd is. Overigens blijft dat gesticht, ondanks die aanmerkelijke Subsidie, in denzelfden ongunstigen toestand, zonder eenig gegrond uitzicht op verbetering.

Doch welke importante Schade lijdt eevenwel de Gemeente niet door deze Subsidie?...

De Commissie tot onderzoek van Texels finantieëlen toestand heeft, bij het door haar uitgebragt rapport, niet slechts blootelyk gezegd, maar op grond van juiste berekeningen, aangetoond, dat van alle die plaatselijke belastingen, wier rigtige opbrengst, door recherche moet verzekerd worden, één zevende gedeelte voor de gemeente finaal verloren is.

Nu staat het wel vast, dat, om f 2500,- Subsidie aan een Weeshuis te kunnen geven uit eene ledige gemeente kas, die kas daartoe moet worden in staat gesteld door het heffen van belastingen; welke belastingen, zal men f 2500,- zuiver overhouden, naar de alhier plaats hebbende inrigtingen, ten minsten f 2900,- moeten opbrengen; om dat, volgens bovengemelde berekening, het overige aan kosten van perceptie en recherche geheel weg gaat.

De gemeente moet dus, over 1820, opbrengen f 2900,-, die de Zaak van de beste zyde beschouwd, en in de veronderstelling, dat het opgegeven plan het eenig aannemelyk middel was, in geen geval, eenig ander noch meerder voordeel zou aanbrengen, dan de aflossing van f 500,-, door het Weeshuis te doen: al het overige is dadelijk verlies voor de gemeente zonder winst te zijn voor het Weeshuis. Het vermogen van Texel gaat dus ter dezer zake alléén, in een enkel jaar f 2400,- achter uit, zonder door die opoffering, van een anderen kant, iets van aanbelang te winnen.

Het uizicht, intusschen, 't welk den Commissie opent voor het volgend jaar biedt (men had er veilig nog eenige jaren bij kunnen voegen) is inderdaad niet gunstiger: want als de Water-gelden niet important toenemen (en hier op is volstrekt geene zekere rekening te maken) dan zal er voor 1821 weder evenveel noodig zijn. En in der daad, indien er geen ander redmiddel voorhanden was, zouden wij zelven, met leedwezen, moeten toestemmen, weinig kans te zien tot verdere aanmerkelijke bezuiniging.

Maar, nu wij vermeenen dat er een middel bestaat, het geen ons, bij onderzoek, is gebleken, volkomen geschikt te zijn om de gemeente van verdere opbrengsten, ter dezer zake, geheel te ontheffen, en tevens het Weeshuis, niet alleen te redden uit deszelfs tegenwoordigen achterlijken staat, maar zelfs de resources van dat gesticht aanmerkelijk te doen toenemen,- nu kunnen wij de door de Commissie voorgedragene maatregulen, hoe doelmatig anders ook, niet voor de meest geschikte houden.

Dit afdoenend middel is natuurlijk de aanneming van het aanbod, door de Maatschappij van Weldadigheid, onder anderen ook aan alle Regenten van Weeshuizen, gedaan, en door Z.E. de Heere Staatsraad Gouverneur, bij missive, ter kennisse van de gemeente-besturen gebragt.

Om de meerdere voordeelen te kennen, die den aanneming van dat aanbod al dadelyk zoude opleveren, heeft men slechts een oog te vestigen op den mede hier bij gevoegden Staat B, en de daaronder geplaatste aanmerkingen. Deze Staat toch toont, zoo wy vermeenen, duidelyk aan, dat men, door van de tegenwoordige wyze van alimentatie der kinderen, in het Weeshuis, aftezien, en de aanbiedingen der gezegde Maatschappij, in dezelver grootst mogelijken uitgestrektheid, de anders benoodigde Subsidie, reeds over 1820, zou kunnen ontberen.

Men stelle slechts met de Commissie, dat thans in het Weeshuis gevoed worden 50 personen, dan bedraagt het getal, 't welk (na aftrek van Vader, Moeder en Naaivrouw, die mede onder dat vijftig-tal gerekend zijn) in het huis zelve wordt geälimenteerd 47 kinderen.

Daar er nu onder dit getal veellicht eenige gevonden worden, die den ouderdom van zes jaren nog niet hebben bereikt, en dus voor als nog, voor de Maatschappij niet kunnen worden aangenomen, zoo stellen wij daarvoor, om niet te weinig te rekenen, het getal van 6 kinderen.

Wy vermeenen voorts, dat Aagje C. Bakker, als van haar eigene goederen een jaarlyks inkomen hebbende van f 150,-, niet kan worden gelyk gesteld met de andere kinderen; maar, als zodanig, eene geheel bijzondere voorziening vereischt; weshalve nog wegvalt 1 kind.

En stellen eindelijk, dat het getal kinderen geschikt om, tot het bekende einde, aan de Maatschappij van Weldadigheid te worden overgedragen, is 36 kinderen.

Op die wyze bekomt men een getal van 43 kinderen, en dus slechts vier minder dan er (volgens de Commissie) thans werkelijk in het Weeshuis worden gealimenteerd.

Daar er echter, onder de thans in het Weeshuis aanwezig zynde, vele kinderen gevonden worden, die, ten naaste bij, derzelver meerderjarigheid hebben bereikt, en alzoo toch, in alle gevallen, weldra het Weeshuis zouden moeten verlaten; Zoo kan men veilig vaststellen, dat, niet slechts vier, maar een veel groter aantal niet zoude verlangen in Fredriks-oord geplaatst te worden; aan welken dan ook, indien zij daartoe in staat waren, zou kunnen worden vrygelaten de kost op eene andere, hun meer gevallende wyze, te verdienen.

Wij geloven dus veilig te kunnen vaststellen, dat alles ruim gerekend is, en het eene zoo wel als het andere, in de uitvoering nog merkelijk zou in de hand vallen.

Om echter zeker geene misrekening te maken, is alles naar de zoo even opgegevene veronderstelling gecalculeerd, en alzoo, in plaats van de door de Commissie bepaalde Uitgaven voor de kinderen, te zamen ten beloope van f 4904,- op den Staat B uitgetrokken eene Somma van f 2900,-; Terwijl voorts alle de posten op laatstgemelden Staat gebragt, juist zóódanig zijn gesteld, als die door de Commissie zelve zijn bepaald geworden; met uitzondering alleen de onvoorziene Uitgaven, die op de helft zijn verminderd, om dat in het geval van eene finale opbreking der huishouding van het Weeshuis, die Uitgaven maar zeer gering zouden kunnen zijn.

Wij vertrouwen dus, dat een ieder, die de zaak onbevooroordeeld gadeslaat, zal toestemmen, dat de Subsidie van f 2500,-, reeds over 1820, zou kunnen worden bespaard, en dus Texels ingezetenen, reeds over dat jaar, eenen verligting van lasten zou kunnen worden toegebragt ter Concurrentie eener Somma van f 2900,-.

Dan het voordeel, daardoor voor de finantien van het Weeshuis zelve te behalen, zyn mede niet onaanzienlijk. Wij hebben hier boven reeds aangemerkt, dat het Weeshuis, behalve de geprojecteerde aflossing van f 500,- thans, in 1820 niets vooruitgaat: Dit nu aangenomen zynde (zoo als het zeker niet kan worden tegengesproken), dan is het ontwijfelbaar, dat de aanneming van het aanbod der Maatschappij oneindig groote voordeelen oplevert. Men observere slechts, dat de post van f 2160,- op den Staat B in uitgave gebragt, niet is verloren geld; maar dat die som in het fonds tot vinding van Interessen en aflossing van eene daarop gevestigde Negotiatie van f 30,600,-, die in zestien jaren moet en ook kan afloopen- dat de genegotieerde gelden worden gebezigd tot het aanbouwen van woningen en het aanschaffen van al het geen verder tot de behoorlijke vestiging van Colonisten noodig is, en dat alzoo het Weeshuis, reeds ten einde van één jaar, ten minsten zóó veel geheel vrij en onbezwaard in eigendom bezit, als alsdan van de genegotieerde som zal zijn afgedaan; Terwijl, in alle gevallen, dat gesticht, aan het einde van de gezegde zestien jaren, in het volkomen bezit van gecultiveerde gronden en andere goederen, veel meerder waarde hebbende dan de genegotieerde Som; of wel, met andere woorden, de altoosdurende bevoegdheid verkregen heeft, om steeds 36 Wezen in Fredriks-oord geplaatst te houden, zonder verder tot eenige bydrage hoe ook genaamd gehouden te zijn, en alzoo met algeheele besparing der op den Staat B gebragte Uitgave van f 2160,-

Door deze besparing komt het Weeshuis dan ook, als van zelve, in de gelegenheid, om, reeds in het zeventiende jaar, in ééns aftelossen alle de schulden hier boven gemeld, en door de Commissie begroot op f 2033,32; Terwijl, zelfs by de allerongunstigste omstandigheden, de volgende jaren een zuiver overschot van ten minsten f 2160,- zouden kunnen opleveren.

Wanneer wy dus het different tusschen de beide Sijstema's over 20 jaren berekenen, dan bekomen wij de volgende resultaten:

Op den tegenwoordigen voet voortgaande, kost het Weeshuis aan Texels ingezetenen, over 1820 en 1821, ieder jaar f 2900,-. Daar dit egter, over de volgende Jaren, waarschijnlijk minder zal zijn, stellen wij het bezwaar, door elkander, op f 2500,- jaarlijks en dus voor de 20 jaren op f 50,000,-

Hierbij komen, billijkerwyze, de Interessen, die de gezamentlijke Ingezetenen anders van die som zouden kunnen genieten; by moderatie gesteld op 25,000.-

Dus eene vermindering van vermogen van f 75,000.-

Door welke importante Som het Weeshuis aan het einde van die twintig jaren, niets anders zoude gewonnen hebben, dan de aflossing der dikmaals gemelde schuld van f 2033,32,-

Door, integendeel, van het aanbod der Maatschappij gebruik te maken, ontheft men de Ingezetenen van den bovengemelden last van f 75,000- en vermeerdert men dus, in zoo verre, het vermogen der Texelaren; Terwijl tevens het Weeshuis, in dat geval, aan het einde van die 20 jaren (behalve gelijke aflossing der gemelde Schuld) zoude hebben geaquireerd:

1 den eigendom van 18 Woningen in Fredriks-oord, met de daarbij behorende Landerijen & &; alles slechts op de genegotieerde Som berekend, en alzoo te zamen f 30,600,-

en 2 de overwinst op de drie laatste jaren, ieder jaar f 2160,- en dus f 6,480,-

makende alzoo te zamen een kapitaal van f 37,080,-

Indien wij nu het Weeshuis beschouwen als een integrerend gedeelte van de gemeente van Texel (zoo als het werkelijk is), dan blijkt het, dat de bloote aanneming van het aanbod der Maatschappij, door het Weeshuis alléén, na twintig jaren, het vermogen der Texelaren met ten minsten f 112,000,- zal vermeerder hebben.

Wanneer men nu bij deze voordeelen nog voegt, die, welke de plaatsing van 12 bejaarde lieden, benevens 12 behoeftige huisgezinnen, elk van zes personen, en dus te zamen nog 84 menschen, zoo aan het Algemeen Armen-bestuur, als aan de onderscheidene Kerkgenoodschappen, zoude kunnen aanbrengen, dan is de verligting, die, bij een goed overleg, daaruit, op verschillende wyzen, voor de Ingezetenen zou kunnen ontstaan, onberekenbaar!

Zoo aannemelijk nu het aanbod der Maatschappij is, uit hoofde van het voordeel, het welk en de gemeente en het Weeshuis daarvan zoude te wachten hebben,- Zoo heilzaam is het ook voor de jonge lieden zelven: Want, worden deze in het Weeshuis slechts tot aan eenen zekeren Ouderdom verzorgd, en dan, zonder eenig bepaald middel van bestaan, den wereld ingezonden, om veellicht (gelyk den Heer Gouverneur zich by deszelfs Circulaire uitdrukt) onder eene andere gedaante met hunne huisgezinnen, op nieuw der burgerlyke maatschappij tot last te zijn ,- de Maatschappij van Weldadigheid doet meer:

Deze neemt niet slechts het onderhoud, het onderwys en de opvoeding der Wezen ten haren laste, maar nog daarenboven derzelver volkomene vestiging als boeren of Landbouwers, tevens in Staat tot verrigting van fabrijkmatigen arbeid ; en stelt hen alzoo volkomen in Staat, om, ook voor het vervolg, duurzaam te kunnen bestaan.

Wij kunnen deze Consideratien thans niet verder uitbreiden; veel min alle de reflutien wederleggen, die wij reeds tegen het plan der Maatschappij hebben hooren maken, en de zoodanige, welke wij ons zeer ligt kunnen voorstellen, dat nog verder zouden kunnen gemaakt worden. Wij oordeelen trouwens ook geenen derzelve gewigtig genoeg om de uitvoering van dat plan te kunnen hinderlyk zyn, maar vermeenen veeleer, dat, met ter zyde stelling van alle zwarigheden, niet genoeg op de in werking brenging van hetzelve kan worden aangedrongen; Waartoe dan ook deze onze poging bepaaldelijk is strekkende.-

Zo als het hier voorgerekend werd was het plan te mooi om waar te zijn. Zo dacht de gewone Texelaar er ook over. Het plan werd verworpen.

Brieven van Burgemeester en Secretaris van Texel

6-3-1820 Gouverneur,

Ingevolge Uwer Excellenties Missive van rappel van den 23sten februarij N 122/590 (mij niet vóór den 4en dezer in handen gekomen) heb ik de Eer Uwe Excellentie, bij deze, te informeren:

Dat reeds kort na het ontvangen van Uwen Excellenties Circulaire van den 15 September des vorigen Jaars, N 633/3455, in eene opzettelijke daartoe aangelegde Conferentie,- tot welke ik, behalve Heeren Assessoren dezer gemeente ook had uitgenoodigd de Leden der Sub- Commissie van Weldadigheid, alhier gevestigd,-

Zeer rijpelijk en met al dien ernst welke het gewicht der zake vordert is overwogen het plan, omtrent de overneming van Wezen- en Armen kinderen, door de Commissie van Weldadigheid voorgedragen, en door Uwe Excellentie, bij gezegde Circulaire, den gemeente Besturen kenbaar gemaakt en toegelicht.

Dat het gevolg der overweging destijds is geweest eene algemeene overtuiging van de alleszins voordeelige Strekking van dat plan inzonderheid ook voor deze Gemeente, in welke de Subsidien, die Jaarlijks het onderhoud van Wezen en armen moeten worden verstrekt, een zoo aanmerkelijk gedeelte der plaatselijken laten uitmaken.-

Dat dan ook dadelijk het gezegde plan ter kennisse is gebragt van eene Commissie uit Regenten van het Weeshuis alhier, en aan dezelve voorgehouden het voordeel, 't welk de aanneming van het zelve zoude ten gevolge hebben, doch dat gezegde Commissie, wel verre van in ons gevoelen te deelen, integendeel heeft verklaard, dat Regenten nimmer tot zoodanige overgifte van aan hun toebetrouwde Wezen, ten zij daartoe van hooger hand stellig gelast, zouden overgaan; gelijk deze verklaring dan ook vervolgens, bij eene nadere gelegenheid, in naam van alle de Regenten is herhaald en bevestigd geworden.

Daar het mij nu steeds is toegeschenen, zoo uit het plan zelve, zoodanig dat bij Uwer Excellenties gezegde Circulaires en in het tijdschrift de Star is voorgesteld en ontwikkeld, als uit den aard der zake voorttevloeyen dat de eigenlijke beslissing of van de aanbiedingen der Maatschappij zal worden gebruik gemaakt, in de eerste plaats toekomt aan Weesvoogden en Armbezorgers, en dat dus, eerst na dezer toetreding tot het plan, de bemoeijingen der Gemeente besturen zich alleen hebben te bepalen tot de guarantie der alsdan Casuquo aantegane Contracten; zoo heb ik dan ook gemeend gezegde Regenten tot het accepteren der voorgestelde overeenkomst niet te kunnen noch te mogen noodzaken, Ja zelfs ongepast geoordeeld maatregelen tot dat einde te provoceren; en zulks te minder, daar ik mij nog altoos hadde gevleid, dat Regenten, bij nader inzien der onberekenbare voordeelen, welke het plan ook zelfs voor hun gesticht, aanbiedt, te eenigen tijd wel van gevoelen zoude veranderen.-

Het is er echter verre af, dat dit laatste het geval zoude zijn, dat ik, integendeels, thans veeleer reden meen te hebben om te veronderstellen, dat dit besluit onwrikbaar zij, waartoe misschien de publieke opinie bij het gros der Ingezetenen dezer gemeente (die dit plan van de Maatschappij niet zeer gunstig schijnt te zijn) wel iets zal toebrengen.

Intusschen lijdt het geen twijfel of de Raad dezer gemeente zoude dadelijk besluiten om de overeenkomsten te guaranderen, welke Regenten van het Weeshuis, zoo wel als het Algemeen Armen bestuur, ter dezer zake met de Commissie van Weldadigheid zoude mogen komen aantegaan; daar toch beide die administratien thans veel aanmerkelijker Subsidien vereischen dan zij behoeven zouden, ingevalle derzelver uitgaven, door het aangaan van doelmatige arrangementen met die Commissie, werden verminderd, en er alzoo geene vreeze hoegenaamd kan bestaan dat zoodanige guarantie immer ten nadeele der gemeentekas zou kunnen uitloopen.-

Tenslotte kan ik hier nog bijvoegen, dat het alhier bestaand Algemeen Armen Bestuur, in Zamenstemming met de Sub-Commissie van Weldadigheid werkzaam is om tenminste een zestal van de onder deszelfs beheer staande Armen kinderen bij de Maatschappij van Weldadigheid te plaatsen.-

Vergadering gehouden den 16 Mei 1821

10 uur Present de Schout en alle de Leden

De Heer Schout brengt al mede ter tafel het Contract tussen de Permanente Commissie van Weldadigheid, als daartoe door de Commissie van Weldadigheid behoorlyk geautoriseerd, Zitting hebbende in 'S Gravenhage, ter eenre, en Armen voogden der Algemeene Armen van Texel, ter andere Zyde, over het opnemen en verzorgen van 6 Armen Kinderen, met de daarover te stellen Huisverzorgster, benevens 2 behoeftige huisgezinnen, aangegaan, en den 30 e April dezes Jaars door de Contractanten ter andere Zyde geteekend;

voorstellende om het Zelve, voor zoo veel den Raad aangaat, te approberen, en mitsdien wel Speciaal te garanderen de Jaarlyksche betaling van f 360,- op de gestelde Termynen, zonder eenige Korting tot aan de finale voldoening der genegotieerde f 5100,-

En in aanmerking genomen zynde het blykbaar voordeel het welk daardoor reeds dadelyk, en inzonderheid voor de toekomst aan het gemeene Armbestuur dezer gemeente wordt toegebragt, heeft de Raad zich met het gezegde voorstel van den Heer Schout vereenigd en dienvolgens, het voorschreve Contract approberende, de gezegde Jaarlyksche betaling gegarandeerd en zullende Kopy van hetzelve Contract, en van 'S Raads daaronder gestelde approbatie en garantie, ter Secretarie worden gedeponeerd.

Gemeenteraadsnotulen 21-6-1821

De Heer Schout communiceert de vergadering een bij hem ontvangen extract van het Register der Deliberatien van Hun Edel Groot Achtbare de Heeren Gedeputeerde Staten van N:H: van den 9 e dezer, N 13

Waarbij:

1 de guarantie van het Bestuur dezer Gemeente wegens de voldoening van f 360,- Jaarlijks door de Gemeene Armen verzorgers, voor het overnemen en verzorgen van Zes armen-kinderen, benevens derzelver Huisverzorgster, met twee behoeftige huisgezinnen, op den voet en wijze als bij het overgelegd Contract is omschreven, wordt geapprobeerd, met dien verstande, dat de guarantie des Bestuurs slechts voor de eerstkomende en achtereenvolgende zestien Jaren zal van kracht zijn, zonder meer,

en 2 e het Bestuur dezer Gemeente geinviteerd, de noodige Zorge te dragen, dat de voorschreve Somma van f 360,- bij termijnen van f 80,- volgens artikel 9 van het Contract, het zij door de Gemeen Armen voogden, of onmiddellijk door het voornoemde Gemeente bestuur, voldaan worde.-

En is het voorschreve Extract aangenomen voor Notificatie.

Raadsvergadering 20-3-1822

De Heer Schout brengt ter tafel een Contract Armenvoogden der Algemene Armen van Texel ter eendre zijde over het opnemen en verzorgen van de kinderen met huisverzorger, en twee behoeftige gezinnen, aangegaan, in den 18 e Maart dezes Jaars en door de Contractante ter andere Zijde geteekend, voorstellende om hetzelve, voor zoo veel den Raad aangaat te approberen en mitsdien wel speciaal te guaranderen de Jaarlijksche betaling van f 300,- op de gestelde termijnen, zonder eenige korting tot aan de finale voldoening der genegotieerde

f 5100.-

En in aanmerking genomen zijnde, het blijkbaar voordeel, het welk daardoor reeds dadelijk, en inzonderheid voor de toekomst, dat het gemeene Armen Bestuur dezer gemeente wordt toegebragt, heeft de Raad zich met het gezegde voorstel van den Heer Schout vereenigd, en, dienvolgende, het voorschreve Contract approberende, de gezegde Jaarlijksche betaling geguarandeerd.

De Heer Schout brengt alsmede ter tafel een Contract tusschen de Permanente Commissie voormoend en de Sub-Commissie der Maatschappij van Weldadigheid alhier, over het opnemen en verzorgen van een behoeftig huisgezin, bestaande uit vier personen aangegaan; en den 18 e Maart dezes Jaars vanwege de gezegde Sub-Commissie geteekend; voorstellende om ook dit Contract voor zoo veel dezen Raad betreft te approberen, en mitsdien wel speciaal te guaranderen de Jaarlijksche betaling van f 100,- op de gestelde termijnen, zonder eenige korting, tot aan de finale voldoening der genegotieerde een duizend en zeshonderd Guldens.-

En in aanmerking genomen zijnde, dat, volgens artikel 14 van dit Contract, de drie-vierde gedeelten der Contributie, die door de Leden der Maatschappij alhier worden gefourneerd, ter betaling der bedongen Som kunnen gebezigd worden, voor zoo verre die daartoe strekkken kunnen;dat voorts, zoo door Arm-bezorgers der R.C. gemeente als door Armen-voogden der gemeene Armen is aangenomen, om, ingevalle het te eeniger tijd mogt komen te gebeuren, dat die drie vierde gedeelten der gezegde Contributie zoodanig kwam te diminneeren, dat daaruit die bedongen Som niet mogt kunnen gevonden worden, het daaraan ontbrekende te zullen Suppleren- en dat mitsdien uit dit Contract nimmer eenig noemenswaardig bezwaar voor de gemeente te duchten is.

Heeft de Raad zich ook met dit voorstel van den Heer Schout vereenigd, en dienvolgende, het gezegde Contract approberende, de gezegde Jaarlijksche betaling gegarandeerd.-

Waarna de Heer Schout de vergadering heeft gescheiden, en tot deszelfs nadere te doene oproeping geadjourneerd.-

6-4-1822 RK Armbestuur brieven

Armen Voogden x Armen van Texel ten eenre

en Armenverzorgers van de Roomsche Armen van den Burg ter andere zijde

Verklaren bij dezen met elkanderen met voorkennisse van het Gemeente Bestuur van Texel, te zijn geconveneerd en overeengekomen in hetgeen volgt: te weten

Art 1 De Contractanten ter eenre metde Permanente Commissie van Weldadigheid in 'S Gravenhagen eene overeenkomst getroffen hebbende omtrent de opneming en verzorging van 6 Armenkinderen nemen aan en verbinden zich, bij deze op hunne beurt, om van de Contractanten ter andere zijde te zullen overnemen de Persoon van Reinouwtje Bakker oud 63 Jaar; ten einde n en om haar te doen deelen, in alle de Voordeelen, door den ondergeteekende ter Eenre zijde, bij het Contract, met gezegde Commissie van Weldadigheid ten behoeven der 6 bij de Colonie intelijven kinderen bedongen, en zulks even en op dienzelfde voet, als of zij tot de onder hun eigen beheer staande behoeftigen behoorden.-

Art 2 De Contractanten ter andere zijde daar en tegen neemen aan en verbinden zich bij deze om zoo lange als de hier voren genoemde Reinouwtje Bakker, voor en en Naam van het Gemeene Armen Bestuur van Texel in de Colonie Frederiksoord zal zijn, jaarlijks voor haar te zullen betalen 7 gulden en 10 stuivers des dat bij het overlijden van haar, of ook alle andere gevallen waarin zij mogt ophouden voor of in Naam van het Gemeene Armen Bestuur in de Colonie aanwezig te zijn, alle verdere betaling later dan het ingetreden Jaar, zal cesseeren en ophouden.-

Art: 3

De bij het vorig Artikel bedongen betaling zal aan de Contractanten ter andere zijde geen het minste regt van Eijgendom aanbrengen op de Goederen en bezittingen in die Colonie gelegen, als wordende het regt van Eijgendom door de Contractanten ter andere zijde, voor en ten behoeve van de Algemeene Armen van Texel, in deszelfs volkomen Integriteit bij deze gerenuncieerd.-

Voor de naarkoming dezer verbinden de wederzijdsche ondergeteekenden alle de Goederen en Inkomsten hunner respective Administratien, en voorts als volgens de wet.

Dubbeld gedaan den 2-4-1822.- En is deze door de Contractanten wederzijdsen onderteekend.-

Gemeene Armen voogden van Texel: Teunis C: van der Starre, Jan Jansz Bruin, Jan Pietersz ?, Jacob Bremer, Simon Daalder, Corne: P Dijksen

Hendrik Verberne, Cornelis van Keeren, W: Jansz Robbok, Roomsche Armenverzorgers van den Burg op Texel

2-5-1822 Benoeming van Cornelis Bouwens Bakker als Raadslid

1 e Wordt geapprobeerd de garantie van het Plaatselijk Bestuur dezer gemeente, wegens de voldoening van f 100,- Jaarlijks, voor het overnemen door de Maatschappij van Weldadigheid, van een behoeftig huisgezin, bestaande in vier personen, op den voet en wijze als bij het Contract zelve (vermeld in 'S Raads Notulen van den 20e Maart dezes Jaars) is omschreven.-

2 e Het Plaatselijk Betsuur dezer gemeente geautoriseerd, om, bij aldien het ¾ gedeelte der Contributie, door de Leden der Maatschappij alhier gefourneerd wordende, niet toereikend mogt zijn voor de betaling der bij dat Contract gestipuleerde Jaarlijksche Som van f 100,-, het te kort komende als dan Jaarlijksch op den Staat van begrooting in buitengewone uitgaaf te brengen, of wel de voldoening der Suppletie van het eventueel te kort bij H.E.G.A. op den post van onvoorziene uitgave aantevragen

3 e Almede wordt geapprobeerd de garantie van het bestuur dezer gemeente wegens de voldoening van f 360,- Jaarlijks, voor het overnemen van Zes armen kinderen, met daarover te stellen huisverzorgers, benevens twee behoeftige huisgezinnen, gratis, op den voet en wijze als bij het deswegens aangegaan Contract (almede vermeld in 'S Raads Notulen van den 20 e Maart dezes Jaars) is omschreven

en 4 e Het Bestuur dezer gemeente geinviteerd om de noodige zorg te dragen, dat de voorschreven f 360,-, bij termijnen van f 180,-. aan de Permanente Commissie worde voldaan.-

En is dit gecommuniceerde aangenomen voor Notificatie

DAGBOEK Jacob van Lennep

Van mijne reis; in 1823 door de provintiën Noord Holland, Friesland, Groningen, Drenthe, Over IJssel, Gelderland, NoordBraband, U trecht en Zeelandgedaan, van den 28sten Mei tot den 2den September

Zaterdag 5 July

In de voorzaal vonden wij verscheidene gezelschappen: een groot boek lag op eene der tafels, met oogmerk dat elk der reizigers er zijne aan- of opmerkingen nopens de Colonie in zoude plaatsen: doch het was alleen vervuld met lamme verzen, hoogdravende loftuitingen op den generaal Van den Bosch en elendige reflecties van oppervlakkige beschouwers. Te twee ure

aten wij met den pastoor en onderdirekteur, en waren getuigen dat de eerste een paard van den laatsten kocht, bij welken koop er aan beide zijden de grootste kwade trouw scheen te heerschen, onder den schijn van vriendschap. Na den eten wandelden wij de Colonie no 1 (Frederiksoord) rond, en spraken met twee der Colonisten, beide vaders van huisgezinnen, die met hun staat zeer wel te vreden waren, en dien met geen' anderen zouden willen ruilen. De een verdiende 8st daags, een zijner zoonen 6 en de andere 5. Ook zijne vrouw won iets met spinnen. - Nadere inlichtingen die zij ons gaven zullen beter hare plaats vinden als ik over den algemeenen staat der Colonie spreek. Den Generaal, dien wij te zeven ure, na het theedrinken opzochten, vonden wij niet te huis. Nu bleef Van Hogendorp, die pijn aan den voet had, wat schrijven, en ik ging rondwandelen. In de Colonie No 2 zag ik eene vrouw met drie Friezinnen spreken en hoorde haar zeggen dat zij eene armverzorgster of weesmoeder was. Ik bleef staan, luisterde het gesprek op een' korten afstand af, en voegde mij, toen de Friezinnen vertrokken waren, bij de vrouw. Met haar voortwandelende, hoorde ik van haar dat elke Colonie in wijken, en elke wijk in 20 huizen verdeeld is, bij welke 20 huizen vier weeshuizen zijn, waar weezen bij een getrouwd paar besteed worden, ten getale van zes, voor welke de verzorger f 96 voor ieder ontfangt, en hen daarvoor kleeden, voeden en onderhouden moet. Een gedeelte van dit geld wordt in eetwaren betaald, een ander in briefjens, waarvoor zij benoodigdheden in de Coloniewinkels krijgen kunnen. Voorts ontfing dit paar voor eigen kleeding jaarlijks f 56. Deze waren eigenlijk geen Colonisten en droegen ook de kleeding der Colonie niet. Indien hun een kind boven de zes wordt toegevoegd, ontfangen zij niet meer eetwaren maar weeklijks 15st boven de gemelde som. - Na deze en andere gesprekken verzelde ik op haar verzoek de vrouw tot harent, verheugd deze gelegenheid te vinden, om mij meer en meer met den innerlijke staat der Colonisten bekend te maken, en wandelden met haar wel drie kwartiers. In hare wooning zat de man met de zes kleinen om het vuur. Ik rookte eenige pijpen, dronk koffi en at boterammen met hem. Hij was soldaat in Spanje en Duitschland geweest, had aan alle landswerken gearbeid, en was in Augustus van 't vorige jaar door den schout van Vledder der colonie aanbevolen. Ook had hij onder Huiskes gewerkt, en verhaalde mij dat die schelm vaak openlijk gezegd had, dat indien hij een dubbeltje in zijne hut vond waar hij eerlijk aankwam, hij het in de vaart zou smijten. Dergelijke staaltjens hoorde ik ook van de andere aannemers, als mede van de inspecteurs die het met hen zeer eens zijn. Nu spraken wij ook over het godsdienstig onderwijs en het kerkgaan der Colonisten, waarop ik zal terugkomen. De man had twee weesjongens, thands ontslagen in het godsdienstig onderwijs zoo ver voortgeholpen dat zij met veel lof tot ledematen waren aangenomen. Te half tien keerde ik te huis en vond mijn reisgezel zeer ongerust, daar hij gedacht had dat ik ergens in 't bosch was in slaap gevallen. -

Men had ons, niet omdat het te vol was, maar omdat men ons te gering achtte, in één bed willen stoppen. Na lang spreken kreeg Van Hogendorp een kermis bed op den grond en trof door het lot dat hij er op moest slapen, of liever liggen, want door bed en alles heen voelde hij de reeten der planken. De gansche nacht door woei het sterk eene staldeur sloeg onophoudelijk en onze deur werd zes malen door dames die in de herberg logeerden (ik hoop uit vergissing) geopend.

Zondag6 July Na het ontbijt wandelden wij te negen ure naar het dorp Vledder, waar een gedeelte der

Colonisten te kerk gaat. Daar komende vonden wij dat men ons verkeerd onderricht had, en dat de kerk eerst te tien ure aanging. Wij wandelden dus het dorp, dat weder volkomen Drentsch was, rond. Te tien ure in de kerk gekeerd, vonden wij er nog weinige menschen. Allengskensgroeide hun getal aan. De colonisten zaten met pijpjens in den mond achter af: die van Vledder dampten lustig en hielden koffihuis om de predikstoel. Een boer, raad dezer plaats, liet ons in de regeeringsbank zitten. Intusschen werd het al later: de predikant zou niet komen, verhaalde ons de boer, aleer de Generaal daar was. Dan deze kwam niet, 1⁄4 over elf begon de klok te luiden. Kort daarna trad ook de voorzanger binnen, en te half twaalf de predikant. - Na hem verscheen éénlid der directie met eene bekoorlijke freule, in een gewaad, meer geschikt voor eene maskerade dan voor een boeredorp. De Predikant hield zijn leerrede over Ps. 126 vs 5en 6. Dezelve was zeer rechtzinnig, doch te bloemrijk, 't geen maakte dat hij wel eens onzin sprak door te veel te willen behagen. - Het verwonderde ons onder de Colonisten meest vrouwen en kinderen, en slechts weinig vaders van huisgezinnen te zien; doch wij hoorden hiervan de volgende oplossing. Van elk huisgezin moet een der hoofden ter kerke gaan op de boete van 2st ten behoeve van den wijkmeester. Dit wordt echter geschikt, zoodat het genoegzaam is, wanneer een uit het huis derwaarts gaat. Dit heeft ten gevolge dat de man, vrouw of kind heen stuurt en zelve te huis blijft.

Ook beviel het ons niet dat alle hervormden, van welke gezindheid ook, gedwongen worden bij de Calvinisten te kerk te gaan. - Te half een was dezelve uit, en wij wandelden de heide door naar Colonie No 4: dan de geweldigen regen dwong ons huiswaarts te keeren, wij aten met den pastoor, gingen voorts den generaal die 's morgens ons bezocht had terwijl wij in de kerk waren, eene visite maken, en keerden na een klein uur met hem gesproken te hebben, te half zes ure naar huis; ons nog veel over de schandelijke kerkverordening onderhoudende, dronken wij thee. - Inmiddels had het bezoek van den Generaal uitwerking gedaan: en men gaf Van Hogendorp eene fraaie kamer.

Maandag7 July 's Morgens te half negen kwam, daar de generaal zelve naar den Haag vertrekken moest, een oud onderofficier op zijn last bij ons, en leidde ons Fredriks-oord, en vervolgens de Colonien No 2, 4 en 6 rond, bracht ons bij sommige Colonisten in huis, ook in de spin-, weef- en verwzalen; in de school, het magazijn en de bakkerij. Te een ure keerden wij te huis.

De volgende opmerkingen en overdenkingen werden onderwijl ten opzichte der Colonie door ons gemaakt: Ieder huisgezin wordt bij deszelfs aankomst in een huisje geplaatst, dat eene kamer met twee ramen in den voorgevel bevat, welke kamer van de noodige meubelen, van een' kast en een bedstede voorzien is; alles zeer ruim: boven dezelve is een zoldertje: en in de laatst gebouwde wooningen heeft het huis nog een uitstekje, in 't midden afgeschoten en voor slaapplaats dienend. Achter het woonvertrek is eene ruime schuur waarin de colonist eene goede melkkoe en de noodige brandstoffen vindt. Ook wordt het gezin in de kleederen gestoken.

Voor dit alles blijft de vader des huisgezins aan de maatschappij schuldig: 1o Voor het huis met de daarbij behoorende drie en een half morgen gronds, een jaarlijksche huur van vijftig guldens.2o Voor kleeding, huisraad enz: een zestienjarige schuld van vijfentwintig guldensjaarlijks. N.B. het getal der leden van het huisgezin doet in dezen niets af.

Daar het nu bezwaarlijk zoude vallen aan nieuwaangekomenen, meestal met den veldarbeid niet bekend, dien dadelijk zelve geheel te verrichten zijn de colonies in secties van twaalf huizen verdeeld. De bewooners derzelver bewerken gezamenlijk den grond, op een half morgen na bij elk huis, dat voor elk huisgezin bijzonderlijk verwerkt of gebruikt wordt, en

waarvan het een' moes- of bloementuin, een' boomgaard, bleekveld of werkplaats maakt naar verkiezing. - Ieder colonist wordt nu, naar gelang van hetgeen hij verricht heeft, betaald: de eene ontfangt 6, de andere 8, 12 ja 16 stuivers daags: er is zelfs een voorbeeld dat een arbeider 36 stuivers met spitten op een' dag verdiende. De betaling geschiedt voor een derde in levensmiddelen, voor een derde in gereed geld en voor een derde in kaartjens van een dubbeltje, waarvoor zij in den winkel der colonie allerhande gerieflijkheden en benoodigdheden kopen kunnen. Deze kaartjens zijn voornamelijk daarom ingevoerd om te beletten dat de colonisten niet buiten de colonie jenever of sterke drank kochten, welke daar binnen volstrekt niet geduld worden. - Nog betaalt de colonist, 3o voor zijne materialen aan het fondsvan veldarbeid jaarlijks de som van vijftig guldens. Zoo ras nu zijn land voeder genoeg voor eene koe oplevert, kan hij er eene tweede bekomen; al de Colonisten van No 1 (Fredriksoord) hebben die reeds, en sommige zelfs bezitten er drie: ook eenigen paarden en varkens. - De rogge en andere veldprodukten worden aan de maatschappij geleverd, die er brood van vervaardigt voor de ingezetenen.

Men zegt dat de Colonisten, ook dan wanneer zij niet meer tot het aanleggen van nieuwe Colonies zullen gebruikt worden, aan drie en een half morgen genoeg zullen hebben; doch dit is niet zoo: een Boer in Drenthe heeft, als ons overal bevestigd werd, acht morgens noodig om te bestaan; en het volgende levert een voorbeeld op van het geen ik onderstel:

In de bakkerij werd ons verhaald dat in 't vorige jaar al de rogge door de Colonisten geleverd slechts een zesde opgeleverd had van hetgeen zij noodig hadden. Hiertoe moet dus noodwendig een aankoop plaats gehad hebben van nieuwe rogge. Vrage: wie betaalt dezelve? wordt zij een bezwaar voor de maatschappij of eene aftedoene Schuld voor de Colonisten? - En nog doet men bij een schepel rogge twee schepels aardappelen.

Bij dit alles stond de rogge vooral in Colonie no 1 heerlijk: ook zag ik uitmuntende tarw: de aardappelen leveren in den zandgrond veel op en waren hier en daar reeds gerooid: ook had men begonnen vlas te teelen die een zeer fleurig aanzien had. - Op de veengronden is alles nog achterlijk, doch dezelve worden naar de les van Virgiliusjaarlijks afgebrand en men hoopt er na de afneming der bovenkorst veel goeds van.

Wat men daartegen zegge, het is stellig waar dat ieder Colonist.... neen, de koe van ieder Colonist alleen de mest voor deszelfs grond maakt: Allen verzekerden mij zulks: die mest bestaat uit plaggen met koedrek vermengd.

Dezulke Colonisten, welke door lichaamsgebreken tot veldarbeid ongeschikt zijn, als ook sommige meisjens en kinderen, worden in de spinne- en weeverijen gebruikt. Hier heeft elk der kinderen onder anderen eene vaste taks dien zij verdienen moeten en aan hunne ouders brengen: wat bovendien verdiend wordt gaat half in een' spaarpot en wordt hun half als zakgeld gegeven (b.v. hiervoor kunnen zij op het baldat om den anderen Zondag gegeven wordt een glaasje bier drinken enz) De wol welke tot de kleederen gebruikt wordt is van Drentsche schapen, en dus slechter nog dan koehaar. Zij is wel goedkooper doch onsterk en slecht Dan men gebruikt ze bij voorkeur, naar ik geloof om het goed meer en spoediger te doen verslijten en dus aan de Colonisten meer werk te verschaffen: al het laken door hen bewerkt, wordt straks door Colonisten die kleedermakers zijn, afgehaald, tot kleederen gesneden, en naar het Magazijn gebracht. - In dit magazijn vindt men beddegoed, kleederen, huisraad van alle soorten, veldgereedschappen, hoeden, schoenen, enz. enz. enz. alles in de Colonie gewerkt.

Onder de Colonisten is een timmerman, (die behalve zijn veldarbeid nog voor al de Colonies timmert en dus een zeer ruim bestaan heeft) verscheidene schoen- en kleedemakers, schilders, verwers en glazemakers, een smid, een metzelaar, een hoedemaker enz enz tot eeneParijsche modemaakster toe, met name Mejuff. Vorheim, no 7 in de Colonie no 1 welke zich in ieders gunst met gedrukte biljetten aanbeveelt en brieven franco verzoekt.

Ook heeft men zeer geschikte wandelende steenbakkerijen als in Braband. Tot dus verre is alles vrij voordeelig: doch hetgeen volgt neemt voor mij veel van het voortreffelijke der inrichting weg: Mijne eerste tegenwerping is: I Wat den Godsdienst betreft: - Wij hebben uit het bovenstaande gezien hoe verkeerd de kerkinrichting is; hoe er over de Colonisten werkelijke geloofsdwang heerscht, (zie pag. 30 reg 1.2.3) want ik weet het met geen zachter' naam uittedrukken, en aan den anderen kant laauw- en onverschilligheid: de houding der Colonisten was oneerbiedig, zoo bij het aan- als bij het uitgaan der kerk: eene vrouw onder anderen pakte Van Hogendorp bij den arm omdat hij niet genoeg drong naar haar' zin. - Vier kerken van naastgelegenene dorpen zijn voor de colonisten geschikt: doch met haar vieren niet genoeg om de helft derzelver te bevatten: dus wordt de helft ipso jurevan het kerkgaan verstoken. - De Roomsche Catholijke pastoor is gedurig op kermissen en feesten, zit bijna den ganschen dag in de herberg en laat zijne kudde loopen. -

2o Wat het onderwijs betreft: - Men zegt in de school dat hetzelve zich tot schrijven, rekenen en lezen bepaalt en dat slechts als er tijd over is, aardrijkskunde, vaderlandsche geschiedenis en stijlgeleerd worden: doch uit gesprekken met Colonisten heb ik opgemaakt dat deze bijvakken zeer veel tijd wegnemen: en welk nut doen zij aan menschen bestemd om achter de ploeg te loopen of de spade in hand te nemen? Maken zij hen niet te onvrede met hun lot? bepalen zij hunne gedachten niet tot voor hen onnoodige zaken? - Wat het godsdienstig schoolonderwijs aangaat, uit den aard der zake kan het niet bestaan, dewijl de kinderen van onderscheidene gezindheden op dezelfde school komen en dus in plaats van den Bijbel, zedekundige (prul) boeken lezen. - Ik weet dat zulks bijna overal onvermijdelijk is: doch hier vormtmen eene nieuwe maatschappij. - Ook ging de school evenals de kerk een uur later dan het bepaalde aan: wij kwamen er te half elf: (te tien ure moest dezelve aan zijn) te elf ure kwam de meester en te twaalf ure ging de school weder uit.

3o nopens het kanaal en kleinere vaarten. Eene vaart is voor eene Colonie als deze van zulk een dadelijk belang dat zij de zorg van den generaal VandenBosch niet ontgaan moest: dan deerlijk hebben zijne berekeningen hem bij het aanleggen derzelver bedrogen: - het is eene zoo eenvoudige waarheid, welke zelfs zonder ondervinding aan een kind duidelijk zijn zoude, dat de gloojing van een kanaal in den zandgrond gegraven bijna onmerkbaar zijn moet, wil men de kanten niet zien verzakken, dat ik niet begrijpen kan hoe de generaal in het graven zijner vaarten zoo ver heeft kunnen mistasten. Het hoofdkanaal zal hoogstens acht voet breedte hebben: de gloojing is aan weerszijden niet meer dan drie voet, en op dezelve rust een' steile kant van omtrent tien voet hoogte. Het gevolg hiervan is dat bij de minste regenbui de kanten in de vaart afstroomen en die bedelven. In de kleine zijvaarten of wieken is geheel geen water, en in de groote zou een kind geen' klomp aan een touwtje van het een tot het ander eind door het water kunnen voorttrekken: het heeft op de diepste plaatsen geen twee voet en is op sommige geheel droog.

Na den eten lieten wij om het slechte weder rijtuig komen en reden op een' slechte fourgon met goede paarden, doch een' voerman die niet rijden kon over Willemsoordverder.

- De Drenthenaar bezit alle deugden en gebreken welke onafscheidelijk zijn van zijn eenzaam landlijk leven. - Wanneer men in een gering gehucht eene kleine stulp bewoont, zelve onbemiddeld en onkundig is en tot naburen en medeburgers alleen dezulken heeft, wanneer men niet in de gelegenheid is meer grond te bebouwen dan men voor zijn eigen huisgezin van nooden heeft en er dus weinig of niets overschiet om in grootere plaatsen ter markt te brengen, dankunnen er tusschen zoodanigen en de inwooners van grootere plaatsen weinige of geene naauwe betrekkingen stand grijpen: dan leeren zij de overtollige dingen niet kennen, welke de stedeling als noodzakelijke beschouwt; dan geven zij zich aan de weelde niet over welke deze najaagt; maar leven stil, eenvoudig, onnoozel voort als hunne ouders en voorouders deden; verlangen niet wat zij niet kennen, zijn onbezorgd voor het vervolg, en geven weer aan hun nakroost hetzelfde voorbeeld dat zij van hun voorgeslacht ontfangen hebben.

Zoo heeft ook de nederige landbewoner van Drenthe niets overgenomen noch kunnen nemen van al wat de rijke Friesche en Groningsche boeren in de Hoofdplaats hunner provintiën zagen. - Deze laatsten bebouwden onmetelijke velden en behoefden op vele plaatsen den uitzichzelv' zoo vruchtbaren grond niet eens te bemesten: Het was dus hun overvloed die zij ter markt brachten: en dit leerde hun prijs op het geld stellen, gaf hun' geest een koopmansdraai en deed hun al de ondeugden des stedelings inzuigen zonder de plompheid des landsmans wegtenemen. De Drenthenaar daarentegen heeft, om zijn klein stukje gronds te bebouwen, nog de hulp van zijne geburen noodig; hij verbruikt met zijn gezin alles wat hij gezaaid heeft, en er schiet niets over dat den handelaar in de steden zoude kunnen gevallen: wat meer is, geen vreemdeling begeeft zich naar Drenthe, ten minsten niet met eenig voornemen van winst te doen: deze of gene die nog nu en dan een hunnebed komt bezichtigen haast zich een oord te verlaten, waar het reizen hem zoo moeilijk valt. Vanwaar zoude dan de Drenthenaar eenige kondschap be- komen van al hetgeen de stedeling zoo onmisbaar acht. - Neen zijn belang houdt hem aan zijn dorp, aan zijne kluis verknocht: hij weet niet, en verlangt ook niet te weten dat er buiten zijn dorp en twee of drie die hij van verre ziet, doch nooit bezocht, plaatsen of landen in de waereld zijn: doch hij is daarom niet schuw, niet stuursch jegens vreemden. - Daar er niets bij hem is dat de hebzucht eens bedriegers verwekken kan, wordt hij ook door geen' vreemdeling bedrogen: waarom zoude hij, die gewend is zijn' buurman, wien hij noodig heeft, vriendelijk te bejegenen, een' reiziger onbeleefd behandelen: goedwillig ziet hij hem aan als iemand van wien hij niets te hopen noch te vreezen heeft, en uit gewoonte behandelt hij hem als zijnen nabuur: zeer dikwijls ondervonden wij die gedienstigheid, die landbewooners zoo eigen op onzen tocht door de geringe dorpen en gehuchten. Bij al de deugden welke de Drenthenaar uit routinebezit, voegen zich als tegenbeelden onverschilligheid voor het vreemde, gehechtheid aan den ouden sleur, tegenzin in het beproeven van iets nieuws, en in een woord al die geringe, doch ware gebreken welke uit den aard van zijn leven voortvloeien.

3-5-1822 Gouverneur

Ter voldoening aan het eerste gedeelte van Uwer Ex aanschrijving van den 18en April dezes jaares, N 36/3928, heb ik de Eer Uwe E, bij deze te informeren, dat zich gedurende den jare 1821 geene personen uit andere Provincien binnen deze gemeente zijn komen vestigen, en dat het getal der genen die deze gemeente verlaten hebben om zich elders te vestigen is 19 personen, alle als kolonisten, vertrokken naar de Kolonie Frederiksoord, Provincie Drenthe.

15-1-1823 Gouverneur

Ingevolge den last vervat in het laatste gedeelte der aanschrijving van Uwe Excellentie de dato 31 december 1822 N 1 en 4/6210 (Prov. Blad N: 101) heb ik der Eer Uwe Excellentie bij deze te informeren, dat zich alhier geene personen vrijwillig hebben aangemeld om naar de colonien van de Maatschappij van Weldadigheid te worden opgezonden. Bedragende het Getal der reeds vroeger van wege deze gemeente in die colonien geplaatste personen 45, te weten in 1821 negentien en in 1822 zesentwintig.

N 35 Gouverneur 15-3-1823

Door de Gouverneur gerequireerde intekenlijst tot deelneming aan de Maatschappij van Weldadigheid alhier, hb ik thans van gemelde subcommissie een uit de originele naamlijst getrokken lijst, welke ik de eer heb kopij hier nevens te voegen.

Hoezeer uit die lijst consteert dat het getal Leden, welke thans nog werkelijk binnen deze Gemeente als deelnemers bekend staan, 50 bedraagt; het welk, in evenredigheid van de bevolking dezer gemeente, reeds vrij aanzienlijk is, zal ik echter alles wat in mijn vermogen is blijven aanwenden dat tot de heilzame bedoeling in deze bevorderlijk zal zijn.

8-5-1824 Dat de subsidie van f 1500 op de begroting van dit Jaar tot onderstand der Algemene Armen toegestaan, alleenlijk gebezigd zoo wordt tot het geheel of gedeeltelijk onderhouden van ouden, zieken, zwakken of gebrekkigen, niet geschikt om in eenige der plans van de Maatschappij van Weldadigheid begrepen te worden,

als tot het presteren der geldelijke bijdragen aan die Maatschappij, en alzoo tot onderhoud van reeds werkelijk in een der Kolonien gevestigde personen.

5-1-1825 GS

Jacob List was opgenomen in het Bedelaarsgesticht te Hoorn

Hij is geen bedelaar van professie, maar integendeel alhier bekend voor een zeer geschikt arbeider, alleen door op den duur geen werk te hebben kunnen vinden, tot het vragen van Aalmoezen kan zijn gebragt geweest [hier is ook geen werk voor hem]. Hij is als boeren-arbeider een uitmuntend sujet voor de Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid, alwaar, door toevallige omstandigheden, juist eene plaats vacant is.

Burgemeester Reinbach wil dat List daarheen gaat.

15-3-1825 Aan den Heer Schout van Terschelling

Dat deze Gemeente niet valt in de termen der daarbij bedoelde aanschrijving van ZE den Heere Staatsraad Gouverneur, alzoo hier geene kinderen uit de godshuizen naar Veenhuizen moeten worden geëxpedieerd.

18-6-1825 Gouverneur, Berigt van voldoening van f 35.- van het verschuldigde voor de Ommerschans over 't jaar 1824

28-9-1825 GS f 11.85.5 van het Bedelaars Gesticht Hoorn voor Jacob List

Texel 4 October 1827

Ter voldoening aan Uwe Excellenties dispositie van dato 29 September ll N 74/15110 Provinciaalblad N 108:/ heb ik de Eer te berigten:

Dat over 1825 door mij bij den agent van den algemeene Rijks Kassier, te Amsterdam, is gestort de somma van f 11.85, voor Jacob List, in het bedelaarsgesticht te Hoorn.

Dat door mij over 1826, voor den zelfden, toen in de Ommerschans, bij gemelden Agent is gestort f 17.50 terwijl over den Jare 1827 niets betaald is

Dat het borderel waarbij de eerste som ad f 11.85 blijkt, is van 5 October 1825, terwijl die van de som van f 17.50 mede in den loop van October is, doch waarvan de juiste datum te vinden is op den Origineelen titel, die bij de laatste rekening van den Gemeente Ontvanger alhier den 18 e September 1827 aan Uwe Excellentie is toegezonden.

Dat eindelijk het laatste lid der dispositie heb Ca C op deze gemeente niet toepasselijk is, naar dien de quitantien over 1825 en 1826 aan den administrateur van 's Rijks Schatkist zijn overgebragt-

10-1-1828 Provinciale Administratie

Dat de persoon van Jacob List tot deze Gemeente behoort en reeds vroeger in de Ommerschans is opgenomen geworden.

4-3-1828 GS f 51.99 voor de Maatschappij van Weldadigheid

2-7-1828 Gouverneur,

Toetezenden 34 stuks Extracten van de Geboorteregisters de kinderen, welke door deze Gemeente naar de Maatschappij van Weldadigheid opgezonden zijn.

Met bemerking dat zich nog 3 kinderen, van deze Gemeente afkomstig, in dezelve Maatschappij bevinden, met namen:

Hendrik Piere, geboren 29-8-18xx te Rijssel

Trijntje Piere 30-7-1814 te Amsterdam

En Pieter Klaasz Smit, 3-4-1818 te Texel,

Van wie geen doopceduul is te geven, de eerste twee van elders, terwijl ook de laatste, van de Doopsgezinde Gemeente zijnde, in geen geboorteregister hoegenaamd te vinden is.

24-6-1833 Aan de Gouverneur

f 33,33 voor onderhoudsgelden Bedelaars in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatst personeel dienst 1832

10-9-1833 Aan de Gouverneur, onderwerp Pieter Keijzer

Dat ik mij door een naauwkeurig onderzoek en ten gevolge van de eigen Handteekening van den Heer Kassier der Maatschappij van Weldadigheid te Amsterdam van J. de Linge overtuigd heb, dat de bedoelde P. Keijzer den 3 Mei ll te Amsterdam bij Slutte is aangekomen, den 7 daaraan naar Frederiksoord verzonden is en aldaar ongetwijfeld aangekomen moet zijn. Het komt mij echter voor dat er een Dwaling bestaat omtrent de soort van opgezonden kinderen tot welke Pieter Keijzer behoort en waartoe de algemeene term van opzending naar de Kolonien der Maatschappij van Weldadigheid aanleiding gegeven heeft-

te weten deze Pieter Keijzer is gezonden van uit het Gesticht der Algemeene Armen dezer plaats naar Frederiksoord als aanvulling eener vacante plaats in Frederiksoord krachtens de inder tijd geslotene overeenkomst tusschen deze Gemeente en de Maatschappij van Weldadigheid, weshalve voornoemde Pieter Keijzer van zelve niet vast in de termen voor welke eene afzondelijke betaling moet geschieden, en dit verschil omtrent de soort van opgezonden kinderen waartoe Pieter Keijzer behoort zal hoogstwaarschijnlijk de eenige reden zijn om welke het onderzoek naar deszelfs aankomst in de Kolonie moeijelijk is geworden.

Bevolkingsregister van de Maatschappij van Weldadigheid Pieter Keijzer, geboren op 19-10-1821; plaats van herkomst: Texel; godsdienst: herv; aangekomen op 08-05-1833; ingeschreven in Frederiksoord als ingedeelde; vertrokken op 18-07-1838. Ingeschreven als wonende op hoeve: 81 (inv.nr. 1348); 81 (inv.nr. 1349). Bijzonderheden: Aankomst in kol. I Frederiksoord. Plaatsing: contract Subcie. Texel (Alg. Armenvoogden) Ingedeeld bij: kol. J.H. Nienkemper I, kol. G.J. Elzing II; kol. C. van Weert II; kol. T. Keijzer II. Bijzonderheden: zoon van Neeltje Gerrits Keijzer (overleden), weeskind. Op 18-07-1838 gedeserteerd uit II (T. Keijzer)

3-12-1836 Aan de Burgemeester van Amsterdam, alimentatie Lammert Mooi

Dat de opnieuw door Lammert Mooi te maken kosten door mij zullen voldaan worden. Dat echter, aangezien die uitgaven telkens wederkomen, ik mij de vrijheid geve UEd beleefdelijk uittenoodigen, dien persoon per eerstvolgenden Beurtman naar herwaarts te willen doen vervoeren, alzoo het Gesticht van Weldadigheid alhier zich bij vervolg met de verzorging van dien persoon wil belasten.

8-2-1837 Dat zich hier geene kinderen uit Godshuizen bevinden welke naar de Colonien der Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden.

10-3-1837 Aan de Gouverneur

Fonds tot vestiging en onderhoud van Weezen in de Kolonie van Weldadigheid, het teveel gestort bedrag van f 51,22 terug ontvangen

8-7-1837 Aan de Gouverneur

Storting ad f 78.49.5 voor het eerste halfjaar van 1837 Kolonie van Weldadigheid

23-1-1838 Aan de Gouverneur

Wegens te veel gestorte gelden f 40.98.5 van de Kolonie van Weldadigheid ontvangen

9-2-1838 Aan de Gouverneur

Dat geen kinderen uit Godshuizen zich hier bevinden naar de Colonien der Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden.

23-8-1838 f 83.28.5 voor de bedelaars werkhuizen

9-2-1839 Geene kinderen optezenden naar de Maatschappij van Weldadigheid

13-3-1839 Aan de Gouverneur onderwerp Ontslag Lammert Mooy

Dat er dezerzijds geen bedenking wordt gemaakt, tegen het ontslag van de bedelaars kolonist Lammert Mooy in de hoop dat zijne beloften en goede voornemens deze reis werkelijk eene gewenschte vervulling zullen mogen erlangen.

17-7-1839 Aan de Gouverneur

Betaling f 60.- en f 23.94 aan de Maatschappij van Weldadigheid

7-2-1840 Geene kinderen naar Maatschappij van Weldadigheid

8-7-1840 Aan de Gouverneur

Overgemaakt f 24.96.5 tbv de Maatschappij van Weldadigheid 1839 en f 60,- vooruitbetaling

2-10-1840 f 83.28.5 voor de Bedelaarswerkhuizen

3-2-1841 Aan de Gouverneur

Dat zich thans alhier geene kinderen bevinden, welke naar de Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden.

31-8-1841 Aan de Burgemeester van Avereest

Te zenden f 38,38,5 voor verplegingskosten Trijntje Tjebbes over 1840 f 12,50, Dezelve doctorsrekening 1839 en 1840 f 10,50, G.J. Slot over 1840 f 15,75, maakt f 38,35

2-2-1842 Geene kinderen die naar de Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden

28-5-1842 Over een doodceduul van D. Henkes geschreven naar Ommerschans

[Dirk Albertsz Henkes (1763-1829) uit Wesel Duitsland. Getrouwd met Jantje Pieters Timmerman (1779-1839) uit Oosterend. Eerste kind Albert geboren op 1-12-1799, ondertrouw ouders op 4-12-1799. Kinderen Pietertje (1803-1843), Pieter (1806-1812) en Pieter (1818-1852), allemaal geboren en gestorven in Oost en Oosterend.

18-6-1842 Aan de Gouverneur

Nasporingen gedaan tot ontdekking van het verblijf van den bedelaars-kolonist J. Roters alias Jan de Platvoeter, doch [dat ik] geen spoor hoegenaamd binnen deze gemeente heb kunnen ontdekken.

31-8-1842 Aan de Gouverneur

Verschillende onderhoudskosten van personen in Frederiksoord

15-10-1842 Aan de Burgemeester van Avereest [bij Balkbrug]

Over de weduwe Bakker, Trijntje Tjebbes, ze kan hierheen komen.

[Jan Jansz Bakker (1786/871820 polder Burg) was in 1811 getrouwd met Trijntje Klaas Tjebbes (1786 den Hoorn- 1868 Avereest). Haar ouders waren Klaas Jansz Tjebbes (1764- 1846 Zijpe) Zijpe en Marretje Meijerts Aller (1757-1798) van den Hoorn.

Na de dood van Jan Bakker was Trijntje aangesteld als kolonistenmoeder in Wilhelminaoord op hoeve 53. Ze had zelf 4 kinderen met Jan Bakker, Jacob, Pietertje, Klaas en Marretje, en kreeg daar de zorg voor x kinderen. Aankomst in Wilhelminaoord op 6-7-1822.

Dochter Pietertje was in 1820 gestorven, van Jacob is niets bekend. Klaas was 9 jaar toen hij in Ommerschans doodging. Marretje is in 1858 in Avereest gestorven, 39 jaar oud. Ze was weduwe van Gerrit Jan Veldhuis en van Jan Harbeek.

Naar Ommerschans. Ontslagen dd 16-12-1828.

Haar zoon Jan Bakker Tjebbes werd op 1-10-1824 geboren in Wilhelminaoord, het kind stierf op 10-11-1826 in Ommerschans].

12-12-1842 Verzending naar Burgemeester van Steenwijkerwold voor Antje Smit van Huwelijksconsent

5-1-1843 Aan de Gouverneur

Dat G. Slot wordt ontslagen en naar de zijnen teruggezonden, om de kosten te besparen.

18-1-1843 Aan de Burgemeester van Avereest

Zuinig met bedeeling van de vrouw van G. Slot [Neeltje Burger] en Trijntje Tjebbes

14-2-1843 Aan de Gouverneur

Geene kinderen die moeten worden opgezonden naar de Maatschappij van Weldadigheid

28-7-1845 Burgemeester van Harlingen

Transport van de gevangenen Colonist Dirk Johannesz de Waard, voortvlugtig

[Dirk Jansz de Waard, geboren op 30-1-1825 in Oudeschild, zoon van Jan de Waard (1802-18xx) en Antje Dirks Kant (1800-1827), de vader kon niet schrijven]

2-3-1846 Aan de Gouverneur

Overstorting van f 58,75 verpleegkosten in de Kolonie van Weldadigheid 2 e halfjaar 1845

2-5-1846 Aan de Burgemeester van Avereest

Betaling bedeelingskosten f 97,50 voor de weduwe J. Bakker en Neeltje Burger, tijdvak 1 Mei 1844 tot primo July 1845 (assignatie op de Heeren Mr. Dirk Joh. Scholte te Amsterdam)

De zeer bekrompen geldeloozen staat waarin de kas van het betrokken Armbestuur alhier zich bevindt heeft op dit oogenblik de restitutie der gedane voorschotten niet verder kunnen brengen [U bent tzt het eerst aan de beurt].

Dat de betaling aan Neeltje Burger geheel wordt ingetrokken, aangezien het Huisgezin van Gerrit Slot ontslag uit de Kolonie Frederiksoord is verleend, op de uitdrukkelijke voorwaarde en hunnerzijds gedane belofte, dat zij in haar eigen onderhoud zoude voorzien, waarvoor hare kinderen de stellige verzekering hebben gegeven en zich aansprakelijk hebben gesteld voor het onderhoud harer ouders te zullen zorgen.

Neeltje (1778-18xx) van Nieuweschild, dochter van Jacob Pietersz Burger uit Oosterend en Jantje Ariens Dijksen uit Oudeschild

Zij was op 30-8-1803 getrouwd met zeeman, werkman, arbeider Gerrit Jacobsz Slot of Brouwer (gedoopt op 28-5-1775 te Oosterend). Kinderen Neeltje (1804), Cornelis (1807), Klaas (1809), Jacob (1816) en Hendrik (1820)

Verhuisd naar Avereest. Cornelis, Jacob en Hendrik kwamen in de Kolonie Frederiksoord terecht.

3-6-1846 Aan de Burgemeester van Beemster over Jan Kleinzing.

Volgens de kontrakten, indertijd gesloten [omtrent de] opname in Frederiksoord, dat jaarlijks door de bewoners van een huis en 1650 roeden lands aan de Maatschappij moet worden betaald f 50,- eens. Deze contributie is gedurende eenigen tijd niet opgevraagd, tot dat nu onlangs de voornoemden Armdirectie is aangeschreven, dat door de genoemde Permanente Commissie dat dezelve zoude worden betrokken voor eene som van f 98,05 wegens te kort op de verschuldigde huurpenningen door Kolonisten over het tijdperk van 1 July 1844 tot 30 Juny 1945. Uit nader onderzoek is komen te blijken, dat in de som van f 98,05 zeker Jan Kleinsing, geboren in UEdAchtb Gemeente, verschuldigd was een bedrag van f 49,-

[Daaruit kwam een uitvoerige correspondentie voort met als slotsom dat de Permanente Commissie van Weldadigheid een wissel stuurde, die is betaald door de Gemeente Texel ter vermijding van nodeloze kosten]

[Nu richt Burgemeester Keijser zich tot de Gemeente Beemster] waar Jan Kleinzing geboren is op 16-10-1812, gedoopt te Purmerend in de Lutherse kerk, zelve Gereformeerd, en heeft zijn geboorteplaats verlaten den 22-1-1822, als wanneer hij met zijne ouders is vetrokken naar de Kolonie van Weldadigheid in Frederiksoord. Hij schijnt aldaar steeds te zijn gebleven, is aldaar gehuwd met zekere Antje Smit en heeft daarop verkregen een huis en stuk gronds in de gezegde Kolonie op de voet en wijze als in artikel 12 hierboven staat beschreven.

Deze Antje Smit nu was eene Texelsche, vroeger als Kolonist met hare ouders naar Frederiksoord vertrokken en na met wijlen Jan van Buiten te zijn gehuwd, later in tweeden echt verbonden met dezen Jan Kleinzing. Aan die Antje Smit was vroeger op haar verzoek toegestaan op de hoeve te wonen eertijds door hare ouders bewoond en in eigendom aan de voornoemde Armen Directie alhier behoorende.

En zie daar dus de reden waardoor de Gemeente van Texel bij de Permanente Commissie staat aangeschreven als debitrice van de onderhoudskosten van al zoodanige hoeven, ad f 50,- 's jaars, bijaldien de Kolonisten zelve dit niet kunnen vermogen bijeen te brengen.

Het is intusschen duidelijk, dat volgens de billijkheid niet alleen [enzovoort] dat de daarvoor geleden gelden door het onderstandsdomicilie van Jan Kleinzing en mitsdien door het Armbestuur van UEd Gemeente [moeten worden vergoed].

3-6-1846 Idem Hendrik van Elst omdat hij was getrouwd met zekere Gerritje van Duuren, die was gehuwd geweest met Jan Bakker, die een Texelaar was en in 1822 aldaar als Kolonist opgenomen, gehuwd met Gerritje van Duuren en vervolgens gestorven.

Aan Jan Bakker [was een hoeve toegewezen] aan de Armen Directie alhier toebehoorende. Deszelfs weduwe intusschen staat in geene de minste betrekking tot deze Gemeente, maar desniettemin moet Texel betalen. Anderhalve bladzijde.

[misschien dezelfde als Grietje van Buuren, geboren 1-8-1797 in Zijpe Noord Holland, getrouwd met een Jan Bakker die is gestorven voor 1843. Zij hertrouwde in 1843 met Jacob Vos uit Callantsoog].

1-3-1834 Aan de Gouverneur

Dat er bij mij geene bedenkingen ontstaan zijn tegen het ontslag uit de Bedelaars Colonie van den persoon van Jan Bakker, tot deze Gemeente behorend.

20-7-1846 Aan de Gouverneur

f 58,75 vooruit betaalden verpleegkosten van de in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatste personen dienst eerste halfjaar 1846.

31-8-1846 De weduwe F.J. Duinker van Sluis hierheen [laten komen en dan kan ze vertrekken] als vrije Kolonist naar Frederiksoord

12-12-1846 Laatste half jaar 1846 Colonie van Weldadigheid f 58,75

18-3-1847 Aan de Gouverneur, onderwerp Bedelaars kolonisten

Dat wij berusten in het advies van den Permanente Commissie en mitsdien de op den staat vermelden L. Mooy zullen tegemoet zien.

11-6-1847 Aan de Gouverneur

Dat op de 11den 1846 is overleden in de Koloniale Gestichten der Maatschappij van Weldadigheid de persoon van Gerrit Slot. Terwijl blijkens Uwe Excellenties Missive van den 10 April El de verlangde autorisatie is verleend aan L. Mooij N 1573 onverwijld uit de bedelaarsgestichten te ontslaan.

Dat hiermee dus het personeel heeft opgehouden te bestaan, dat tot dusverre voor rekening dezer gemeente in voornoemde Kolonie werd gealimenteerd en mitsdien zijn komen te vervallen, behoudens hetgeen noch door dezelve mag verschuldigd zijn voor Lammert Mooij over 1847 , waarvan wij het bedrag slechts verlangen te weten ten einde zulks onverwijld alsdan aantezuiveren en de vresinele [financiele/finale?] kwitantie aan Uwe Excellentie intezenden.

Gerrit Slot was dood en Lammert Mooy ontslagen. Er waren geen Texelaars meer in de Kolonie in Drente. Een mooi moment om als gemeente Texel uit die onderneming te stappen. Dat zou een aanzienlijke besparing opleveren. De laatste kosten werden betaald.

26-11-1847 Inzending kwitantie wegens storting onderhoudskosten L. Mooy ad F 17,50

15-12-1847 Aan de Gouverneur

Intezenden kwitantie van gedane storting over het 2 e half jaar van 1847 voor de in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatste personen.

Maar daar kwam niets van terecht door toedoen van Annaatje Kalf, die door Rotterdam naar Ommerschans werd gestuurd, waar ze ten laste van de gemeente Texel kwam. Nu moest de gemeente zich weer inkopen. Burgemeester Keijser was boos op haar.

5-1-1848 Aan de Gouverneur

Jannetje of Annaatje Kalf is van Rotterdam naar Ommerschans gestuurd, als bedelaarster, daar op eigen verzoek ontslagen [maar redde zich niet].

Het blijkt alsnu ten volle hoe weinig alle de beloften van zoodanige personen in haar eigen onderhoud te zullen voorzien, te vertrouwen zijn. Nu is zij als bedelaarskolonist ten laste dezer gemeente gebragt, waar dus het geheele ontslag van weinige dagenlang die vrouw ons met haar onderhoud heeft belast.

Beleefd verzoek aan de Maatschappij van Weldadigheid dat Annaatje Kalf als gewone bestedeling te doen overschrijven en daardoor onze gemeente wederom het genot te doen hebben eener vroegeren overeenkomst, die haar jarenlang aanzienlijke geldelijke opofferingen heeft gekost en waarvan zij alleen door de ligtzinnigheid voor voorwerpen als deze Annaatje Kalf zoo moedwillig beroofd wordt.

[Jannaatje Kalf (1809-1849), dochter van Hendrik Adamsz Kalf (1787-1874) en Jannetje Pieters Metselaar (1786-1825) overleden in het Derde Gesticht van Veenhuizen, ongehuwd]

28-3-1848 Aan de Gouverneur

[Verzoek om] Jannetje Kalf N 6091 en haar op de 24 December jongstleden in de coloniale Gestichten geboren kind N 5134 te doen overplaatsen op het tusschen de Maatschappij en de Algemeene Armverzorgers van Texel bestaande contract.

Kind N 5134 = Jannetje Kalf, geboren in Veenhuizen (Norg) 23 dec 1847, overleden aldaar 17 jan 1848

8-8-1848 Gerrit Slot en Neeltje Burger hadden tijdens hun vertrek naar Frederiksoord den 5 Julij 1822 5 kinderen in leven, waarvan de jongste Hendrik is geboren op 3-7-1820. Alhier is niet bekend dat later uit dat huwelijk kinderen geboren zijn.

[Neeltje Jacobs Burger (1778 Nieuweschild- 18xx) was in 1803 getrouwd met Gerrit Jacobsz Slot (1775 Oosterend- 184x Frederiksoord). Ze hadden 5 kinderen: Neeltje, Cornelis, Klaas, Jacob en Hendrik]

18-8-1848 Aan de Gouverneur

Kwitantie van overstorting bij den Ontvanger der Registratie alhier ad f 102,99,5 wegens alsnog verschuldigde transport, vervangings, vestiging en onderhoudskosten der gedane 't jaar 1847 voor deze Gemeente in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid gevestigde personen.

14-5-1849 Aan de Burgemeester van Hoorn

A.E. Wouters kan zich herwaarts begeven, ten einde eventueel later naar de Kolonie Frederiksoord te worden overgebragt.

9-8-1849 Kwitantie van overstorting ad f 28,46 voor verpleegkosten van de in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatste personen 1848

12-12-1849 De in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatste personen

14-6-1850 Kwitantie eerste halfjaar van de rekening voor de Verpleegkosten van de Kolonie van Weldadigheid in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatste personen

27-9-1850 Voor A.E. Wouters huisvrouw Lindgreen geen onderstand meer, ze kan hier komen en anders naar Frederiksoord gaan.

221 Aan de Burgemeester van Hoorn over A.E. Wouters

[Als zij weer steun behoeft] haar daartoe te verwijzen naar herwaarts, als wanneer vorenstaand Armbestuur de middelen heeft om haar als vrije kolonist te plaatsen te Frederiksoord en daar zonder verdere ondersteuning van andere haar door eigen arbeid op eenen betamelijke wijze in haar onderhoud te laten voorzien.

16-11-1850 Dat ik op den door mij ingezonden staat houdende opgave van het getal der op den 1 January Ll tijdelijk afwezen wel voorkomen de personen, die zich uit de Gemeente bevonden, hetzij als bedelaars of als bestedeling in de Kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, met uitzondering van zekere Lammert Mooi, als welke zich wezenlijk aldaar als bedelaars kolonist bevindt, doch die, daar hij hier tot geen huisgezin hoegenaamd is behorende bij de Volkstelling is voorbijgegaan.

12-12-1850 Verpleegkosten van de in de Maatschappij van Weldadigheid geplaatste personen f 42,50

19-1-1851 De Gemeente Steenwijk heeft onderstand gegeven aan zekere Grietje van Gunst. Burgemeester Keijser legt uit hoe het zit: dat haar echtgenoot Cornelis Klaasz Smit alhier arbeider is en gedomicilieerd. Op mijne gedane mededeeling [omtrent] de verleende onderstand aan zijne vrouw heeft hij mij te kennen gegeven niet daaraan te kunnen contribueren, doch bijaldien zijn vrouw, van welke hij gedurende 16 jaren met wederzijds goedvinden heeft gescheiden geleefd, verkiest zich tot hem alzoo te begeven, hij zijne verpligting omtrent haar naar zijn vermogen bij zich te ontvangen en daartoe dan ook bevreemd [bereid?] is, ofschoon hij meent dat den beide kinderen uit een eerder huwelijk [van zijn echtgenote] die reeds voor geruimen tijd gevestigd zijn, genoegzaam in staat waren hunne moeder de noodige ondersteuning te doen geworden, daar hij toch ook maar een zeer beperkte verdienste heeft. UEd gevoelt dat op restitutie dezer zijds weinig gerekend kan worden en dat bijaldien die vrouw op de duur ondersteuning behoeft, zij wel zal doen in UEd schij ek uit de dan in de van de buurtschap van daar vertrekken [wonderlijke zin].

[Zestien jaar eerder was het 1835. Cornelis en Grietje waren getrouwd op 21 december 1832 en hebben slechts een paar jaren samengewoond, genoeg om te weten dat ze beter uit elkaar konden gaan. Scheiden kostte geld en op deze manier ging het ook- tot Grietje onderstand nodig had, waar de echtgenoot op aangesproken kon worden. Het probleem loste zich vanzelf op met de dood van Grietje van Gunst op 10-2-1851.

Ze hadden samen een zoon Klaas (geboren in 1846? Eerder 1836).

Nu kon Cornelis hertrouwen met Geertrui Moojen (1823-1861). Het huwelijk vond plaats op 9-10-1851. Hun dochter Rempje kwam in 1852/53, een doodgeboren dochter op 21-1-1855 en een zoon Klaas in 1856/57.

Deze jongen leefde tot 1885. Hij was toen 28 jaar, ongetrouwd. De aangifte werd gedaan door Jan Hendrik Moojen, broeder ten halve bedde [dat is niet waar, zijn moeder was wel een Geertrui Moojen, maar geboren in 1819, met andere ouders] en Simon Koning, veldwachter. Vader Cornelis stierf op 8-10-1859 in Den Hoorn. De aangifte werd gedaan door zijn vader Klaas Smit en zijn broer Jacob.

Rempje trouwde in 1887 in Haarlem met Biem Visser. Daar woonde ook haar nicht Rempje, getrouwd met Van Dijk.

Geertrui had een zus, Jannetje, zie hoofdstuk Jannetje Moojen]

15-2-1851 Afwezige Militairen, Zeelieden, Gevangenen en Krankzinnigen ten getale van 68 personen

221 Aan de Burgemeester van Hoorn over A.E. Wouters

[Als zij weer steun behoeft] haar daartoe te verwijzen naar herwaarts, als wanneer vorenstaand Armbestuur de middelen heeft om haar als vrije kolonist te plaatsen te Frederiksoord en daar zonder verdere ondersteuning van andere haar door eigen arbeid op eenen betamelijke wijze in haar onderhoud te laten voorzien.

V 13-2-1851 10 ure

Ook wierdt door dezelve aan de V in overweging gegeven, of het niet Dienstig zoude zijn om Jan N. Eelman, zoon van wijle Nan Eelman tegenwoordig in dit Gesticht verpleegd, thans oud 14 Jaar, naar een der Kolonien der Maatschappij van Weldadigheid optezenden.-

Waarover gedelibereerd-

Is besloten, dat door den Boekhouder, de daartoe vereischte aanvragen zal worden gedaan, en den Heer JL. Kikkert Secretaris der Sub Commissie der Maatschappij voorn: te verzoeken, dit wel ter behoorlijker plaatse, voor bovengenoemde Directie te willen verrigten.-

V 10-4-1851 9 ure

-Wierdt door de vz ter kennisse van deze V gebragt door de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid in 'S Hage, het verzoek van deze Directie ter opzending van Jan N. Eelman naar een der Kolonien dier Maatschappij door genoemde PC was toegestaan.-

V 8-5-1851

-De vz geeft aan de V kennis dat er geen gebruik van de toestemming der PC der MvW ter opzending van Jan N. Eelman naar een der Kolonien dier Maatschappij kan worden gemaakt, uit hoofde dat die persoon, door derzelver Famielje tot zich is genomen, waardoor hij niet meer onder het opzicht van deze Directie is, en deze aldus genoodzaakt zijn, hierin te moeten berusten.-

Vergadering Algemeen Armbestuur 12-6-1851 9 ure

-De vz brengd ter kennisse van deze v berigt te hebben ontvangen, dat door de PC der MvW het verzoek aan deze directie, ter opzending van Stijntje Blom naar een der Kolonien dier Maatschappij was toegestaan, het dierhalven van belang voor deze Directie was, dat hier aan gevolg wierdt gegeven, en is de boekhouder geauthoriseerd om daartoe het nodige te doen.-

V 10-7-1851 9 ure

uitgenomen de Directeur P. Langeveld en Commissarissen Armvoogden Corn: Veeger, Ysbr: Koppen en Corn: Kuip

-De Boekhouder herinnerd de Vergadering, dat het verzoek van deze Directie ter plaatsing van Stijntje Blom, bij Corn: C. Koopman in de Kost uitbesteed, Was toegestaan, om hetzelve Kind te plaatsen in een der Kolonien dier Maatschappij, zoo als dit reeds in de laatstgehoudene V was te kennen gegeven, dat genoemde Boekhouder, met het opzenden van dit Kind naar hare bestemming, hier aan getragt heeft gevolg te geven, dog daarin door derzelver Famielje is verhinderd, zoo dat hetzelve tot heden noch geen plaats gehad heeft.-

Waarover gedelibereerd-

Is besloten om aan genoemde Corn: C. Koopman voortaan geen kostgelden, hoe ook genaamd, voor hetzelve Kind meer uittebetalen.-

[Cornelis Cornelisz Koopman (1798-1891) x Marijtje Jans de Lange, 6 kinderen, de oudste Stijntje (1819-1831). Cornelis was een halfbroer van Antje Blom, uit het 2 e huwelijk van Stijntje Ariens Kooger, vandaar de opname van dit kind]

16-6-1852 Aan de Commissaris

Inzending der kwitantie van gedane storting ten kantore van Registratie in deze gemeente, waarvan een ter somme van f 35,31,5 tot Sluiting van 1851 en eene ter somme van f 40,- voor voorschot voor 1852 betrekkelijk de verpleegkosten van bedelaars in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid voor rekening dezer gemeente.

16-6-1852 Aan B&W van Sluis

Als de weduwe van P.J. Duinker [meer dan de hierbij betaalde declaratie] nodig heeft, als zij Onderstand behoeft, door ons kan worden overgebragt in de Kolonie van Weldadigheid Frederiksoord, als aldaar bezittingen hebbende.

[niet in databank]

6-12-1851 Tweede halfjaar Maatschappij van Weldadigheid

22-12-1852 Aan B&W van Stellendam

Dat de opzending der 3 minderjarige kinderen van de [overleden] weduwe Wiegel naar de Kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid in dit saisoen vele bezwaren in zich heeft, zoo niet onmogelijk is. De correspondentie over zee per beurtschipper is opgehouden, en die vaart opent zich niet weder voor het begin van de maand Februarij 1853. Over land [is de reis] ook niet te doen. Ze deze winter nog hier te laten blijven, [is] niet duurder dan opname in Frederiksoord.

22-4-1853 Aan de Commissaris

Onderwerp Bedelaar. Dat door ons een mannelijke bestedeling, behoorende tot de wettige bevolking dezer gemeente op den 31 e December Jl in de Maatschappij van Weldadigheid wordt verpleegd.

11-6-1853 Aan de Commissaris

Kwitantie wegens overstorting van verpleegkosten van Bedelaars over 1853 (eerste helft)

27-4-1854 Aan de Commissaris

In de Maatschappij van Weldadigheid bevinden zich twee mannelijke personen, tot de wettige bevolking dezer gemeente behoorende, te weten een in het Gesticht met name Lammert Mooij en een als vrije kolonist genaamd Simon Ran.

[Simon Ran geboren in 1806, overleden 23-8-1854 in Veenhuizen]

1-7-1854 Kwitantie van voorbetaling wegens verpleging van bedelaars en colonisten in de Maatschappij van Weldadigheid, eerste halfjaar 1854

8-2-1855 Aan de Burgemeester van Wieringen

Over Jan Smit. Eene opzending van genoemd persoon naar deze gemeente is in geen geval van UEdA verzocht geworden. In onze missive van den 28 october 1854 N 91 is aan het slot wel over eene opzending van genoemde armlastige naar de Kolonie Frederiksoord gesproken. Mogt echter het geval bestaan, dat Jan Smit bij het eindigen van de bepaalde termijn, nog niet in de gelegenheid was om iets te verdienen, dan kan verlenging van de toelage worden aangevraagd.

5-7-1855 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Kwitantie verpleegkosten van bedelaars in de Kolonie van Weldadigheid

24-8-1855 Aan B&W van Helder

Over Cornelis Vermeulen, dat wanneer hij niet voor zichzelve kan zorgen, er niets anders voor hem overblijft, dan opzending naar onze bezittingen in de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord. [Wilt U hem daarover informeren?]

7-9-1855 P Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid te 's Gravenhage

Dat de vrouw welke wij naar de Maatschappij van Weldadigheid wilde overbrengen, is van goed gedrag, gezond en met geene gebreken behept, de naam draagt van Neeltje Kooijman en is geboren op 5-5-1812, van de Hervormde godsdienst, ongehuwd. Met de opzending van de armlastige zullen wij nog eenige tijd wachten

22-10-1855 Aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te 's Gravenhage

Het Algemeen Armbestuur dezer gemeente heeft het voornemen opgevat, naar de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord op te zenden, de persoon van Hendrik Roeper, geboren alhier den 17-4-1841, zonder ligchaamsgebreken, en heeft onze tusschenkomst verzocht UEd zulks ter kennis te brengen, met verzoek of UEd ons wel wilt doen informeren, wanneer die opzending kan plaats hebben, en welke renseignementen door het Algemeen Armbestuur moeten worden in acht genomen en opgegeven.

1-11-1855 Cornelis Vermeulen, geboren 18-9-1817, in te zenden naar Kolonie van Weldadigheid

10-11-1855 Aan B&W van Helder

C. Vermeulen was juist met een franco geleide per stoomboot naar hier gebracht. Ik heb terstond aan Vermeulen te kennen gegeven dat zijne overkomst juist van pas kwam, want dat ik anders geschreven zoude hebben, hem naar hier over te zenden. Doch Cornelis Vermeulen is voor het oogenblik ongenegen naar Frederiksoord te vertrekken, en heeft verkozen weder naar den Helder terug te keeren, om aldaar met zijne moeder, broeders en zusters voor zijne opname in de Maatschappij van Weldadigheid te raadplegen.

Als hij ongenegen blijft naar Frederiksoord te gaan, moet hem alle onderstand worden geweigerd.

12-11-1855 Aan B&W van Helder

Als Cornelis Vermeulen naar de Kolonie van Weldadigheid wil vertrekken, moet hij zorgen dan 13 e hier te zijn omdat er woensdagmorgen daaraanvolgende scheepsgelegenheid is om naar de Kolonie te vertrekken. Als niet, dan nimmer of nooit meer Onderstand.

14-11-1855 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid

Overzending Hendrik Roeper en Cornelis Vermeulen

8-12-1855 Aan B&W van Helder

Tevens voeg ik hiernevens extract van het Register van overlijden in de gemeente Norg, wegens het overlijden van Cornelis Vermeulen in het Tweede Gesticht te Veenhuizen, ten einde van deze dood inschrijving te kunnen doen in de Registers van de Burgerlijke Stand van UEd Gemeente.

21-4-1856 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat den 31-12 Jl uit deze gemeente in de Kolonie van Weldadigheid zich bevonden 1 mannelijke en 3 vrouwelijke bestedelingen

26-5-1856 Aan B&W van Hoorn

Als J.C. Bakker hersteld is moet hij hierheen komen, wanneer omtrent zijne verdere verzorging maatregelen zullen worden genomen tot vestiging in Frederiksoord

15-12-1856 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland Verplegingskosten van bedelaars in de Kolonie van Weldadigheid voor rekening dezer gemeente, tweede halfjaar 1856

B&W 3-3-1857.

1 Missive van den Heer Commissaris des Konings dezen Provincie, begeleidende eene voordragt tot ontslag van Lammert Mooij uit de kolonie van Weldadigheid, met een advies van de Gecommitteerde der Regering, beherende voor en in naam der Maatschappij van Weldadigheid ter dier zake betrekkelijk. Is besloten omtrent het verzocht ontslag afwijzend te beschikken.

[Lammert Reijersz Mooij was op 12-9-1784 geboren in Oudeschild. Hij stierf op 18-8-1857 te Zwolle (website van Rob Gomes)]

Brief van Burgemeester Keijser 5-3-1857

Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Ons toegezonden een staat van voordragt tot ontslag van bedelaars en colonisten, voor het jaar 1857, hebben wij de eer bij deze te berigten: dat wij ons geheel verenigen met het advies van Gecommitteerde der Regering, beheerende voor en in naam der Maatschappij van Weldadigheid, betrekkelijk het ontslag van de colonist uit deze gemeente Lammert Mooy, en mitsdien niet verlangen, [dat] aan dezelve ontslag uit genoemden Maatschappij wordt verleend, maar dat hij, voor rekening dezer gemeente, aldaar verblijve.

12-4-1857 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat op 31-12- Jl uit deze gemeente in de Kolonie van Weldadigheid waren 1 mannelijke en 3 vrouwelijke bestedelingen.

27-7-1857 Aan de Waarnemend Commissaris der Maatschappij van Weldadigheid te 's Gravenhage

Een jongeman genaamd Cornelis Verberne, zonder gebreken, geboren den 10-4-1855, natuurlijke zoon van Marijtje Verberne, sints eenige dagen overleden. Genoemde jongeling wenschen wij te plaatsen in de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord.

[Marijtje Verberne was een dochter van Pieter Cornelisz Verberne (1783-1862) en Martje Cornelis Mulder (1789-1845), zuster van Gerrit en Hendrik Mulder van de Mient). Zij was geboren op 16 maart 1820, doopaangifte door de vader, met als getuigen Jan Gorter (47), boer, en Gerrit List (25), kantoorbediende. Martje is gestorven op 9 juli 1857, om half 12 's avonds. Aangifte gedaan door haar vader en Barend Nielen (59).

Er waren van haar 3 kinderen nog 2 in leven, Cornelis en Marretje. Het laatste kindje was geboren op 25 juni, nog geen 3 weken voor de dood van de moeder. Het overleed een jaar later in den Hoorn.

De kleine Cornelis, die als 'jongeling' werd aangeduid, werd als een last voor de gemeente beschouwd. Hij bleef in leven en trouwde op 31 augustus 1881 in Amsterdam met Geertruida Jorissen] [Rob Gomes kan deze Cornelis in het Kolonistenarchief niet vinden]

KInderen NN (1852), Cornelis (1855-voor 1885) en Martina (1857-58).

Cornelis trouwde in 1881 met Geertruida Jorissen te Amsterdam, kind Cornelis Petrus Wilhelmus Verberne (1882-1xxx). Geertruida trouwde in 1885 met Hendrik Fredrik van der Laan, en in 1893 met Sipke van der Meer.

22-12-1857 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Voorschot van de verpleegkosten van bedelaars in de Kolonie van Weldadigheid voor rekening dezer gemeente van het laatste halfjaar

9-1-1858 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Betrekkelijk de persoon van Jannetje Hagen, dat het Domicilie van Onderstand van bedoeld persoon in deze gemeente wordt erkend, waarom zij ten laste van deze gemeente in de Coloniale Gestichten der Maatschappij van Weldadigheid blijft opgenomen.

[Jannetje Hagen was geboren in 1806 in den Hoorn. Haar vader was Hendrik Hagen (1774-1831), uit Amsterdam, overleden in Oudeschild. Haar moeder was Catharina Ooijevaar (1772/73-1812), overleden in Den Hoorn. Jannetje was getrouwd met Johannes Jansz Dito (1798-18xx), geboren in Oudeschild, gestorven in Alkmaar. Zij zijn in 1835 gescheiden, waarna Johannes hertrouwde met Johanna Cornelia van Kleef]

19-2-1859 Aan B&W te Helder

Over de kinderen van Gerrit Buis, zoo is door het Algemeen Armbestuur besloten, gezegde kinderen op te zenden naar de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord. Om daartoe zoo spoedig mogelijk te geraken [vragen wij om] hun geboorteacten enz.

19-3-1859 Aan de Heeren GS van Noord Holland

Dat in de Kolonie van Weldadigheid zich bevonden 3 vrouwelijke bestedelingen [Lammert Mooy is gestorven].

9-4-1859 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat de reglementair bepalingen van het Algemeen Weeshuis niet toelaten, de opneming van de kinderen van Van der Ploeg in dat gesticht.

Dat wel is waar, het dochtertje van wijlen de Heer de Koningh, in dat gesticht is opgenomen, doch in het zelve is besteed geworden vanwege het Algemeen Armbestuur dezer gemeente.

Dat evenwel dat kind, door de aanmerkingen daarop gemaakt, niet lang meer in dat gesticht zal blijven, om alle schijn van onregt te voorkomen.

De kinderen van Van der Ploeg behooren aan het Burgerlijk Armbestuur, welk best bereid is maatregelen te nemen, ten einde dezelven naar Frederiksoord overtebrengen.

7-5-1859 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Kwitantie f 12,50 wegens het restant der verplegingskosten van personen opgenomen voor rekening dezer gemeente in de Kolonie van Weldadigheid over het dienstjaar 1858.

28-4-1860 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat in de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord te Veenhuizen, op 31-12-1859 gevestigd zijn 13 mannelijke en 9 vrouwelijke bestedelingen, welke in deze gemeente Onderstandsdomicilie hebben.

23-5-1860 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Onleesbaar over Neeltje Kooyman

Over Jan Zaatman (omdat die in den Helder is geboren)

13-6-1860 Aan B&W te Helder

Dat met het kind Jan Zaatman wordt bedoeld de zoon van Wilkes Zaatman en Elsje Maria Bock, geboren den 26-4-1850, ouders overleden, vader te Helder in 1854, moeder te Frederiksoord in februari 1857. Aan de ouders is al onderstand verleend in Helder tot 31-8-1854, op welken dag die vrouw met het kind, als vrije kolonisten naar de Kolonie Frederiksoord zijn vertrokken. Er is geen onderstand van deze gemeente verstrekt.

6-9-1860 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

De familie Zaatman is voor rekening van Texel aan den Helder bedeeld, doch dat na het overlijden der vader, na die opname in 1854 is door het Burgerlijk Armbestuur niets meer betaald [bladzij onleesbaar].

26-10-1860 Aan de Administratie der aan het Rijk toebehoorende Gestichten te Ommerschans

Eberhardt Knaapp en zijne huisvrouw Helena de Raat, tijdelijk alhier, hij geboren 5-11-1805 te Wiertemburg, zij 29-3-1815 te Alkmaar. In Rijksdienst geweest, laatstelijk bij de Marine, gepasporteerd in 1851 met een pensioen van f 90,- Genoemde personen wenschten te worden opgenomen in het aan het Rijk toebehoorende Gesticht van Weldadigheid te Veenhuizen, en wel als huisgezin. De vrouw is reeds vroeger in genoemd Gesticht opgenomen geweest, vanwaar zij den 24-8-1849 met ontslag is vertrokken. Volgens mijn inziens zijn genoemde personen valide en geschikt voor allerlei werk. Zij willen voor de opname, het te genieten pensioen aan het Gesticht afstaan.

De diaconie der Doopsgezinde gemeente van Burg, Waal en Oosterend alhier, welke in derzefde gemeente, voor hunnen rekening wenschten te doen opnemen de persoon van Pieter de Vries, den 15-1-1843 alhier geboren; genoemd persoon zal zijn voor eerst gedeeltelijk invalide, en zal onder goede leiding weldra valide zijn.

14-11-1860 Opname Pieter de Vries in het aan het Rijk behoorende Gesticht te Veenhuizen. Geboren 15-1-1843 Doopsgezind. Moeder Grietje List. Signalement onleesbaar.

[Pieter was de zoon van Dirk Anthoniesz de Vries (1810-1859) en Grietje Pieters List (1808-1881). Hij is een half jaar na zijn vertrek daarheen, op 15 juni 1861 overleden in het Eerste Gesticht in Veenhuizen. Behalve Pieter hadden de ouders 2 dochters, Jaapje en Pietertje. De laatste was 2 maanden na de geboorte in 1846 gestorven. Jaapje zou op 15 mei 1862 trouwen. Zij is op een merkwaardige manier om het leven gekomen in 1869, zie daar].

8-12-1860 Pieter de Vries mag komen in Veenhuizen

Wat er ook met hem aan de hand was voor hij naar Drente werd gestuurd, hij is er niet van genezen.

5-4-1861 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat in de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord voor deze gemeente zich bevinden 2 huisgezinnen en eene bestedeling, te zamen 6 mannen en 7 vrouwelijke personen

8-4-1861 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Pieter Tanis, ontslagen in Ommerschans, is weer op Texel

23-5-1861 Aan Zijne Excellentie den Heer Minister van Binnenlandsche Zaken te 's Gravenhage

Ter voldoening der reisgelden verstrekt aan de ontslagen bedelaar P. Tanis Nr. 3850, hebben wij de eer UEdG bij deze aantebieden eene waarde van f 3,25 waarvoor reeds kwitantie is ontvangen bij UHEdGestr missive dd 20 dezer 315.

19-8-1861 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Dat in de registers onzer gemeente niet is te vinden eene Remmetje Bakker, doch wel dat er in 16-3-1788 is gedoopt Reijnoutje Willems, vader Willem Albertsz Bakker en moeder Martje Gerrits Boon, waarom wij UEd verzoeken ons deswegens te willen informeren of door nevensgaande namen dezelfde personen worden bedoeld.

[Zou deze Reijnoutje zo oud zijn geworden? Ze was in ± 1815 getrouwd met Cornelis Koorn, had een dochter geboren in 1815/16 in Den Helder, die daar in 1835 trouwde met Pieter Bruin]

Bevolkingsregister van de Maatschappij van Weldadigheid

Reinouwtje Bakker, geboren op 15-03-1788; plaats van herkomst: Texel; godsdienst: kath; aangekomen op 06-07-1822; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenmoeder; overleden op 23-12-1870.

Bijzonderheden:

Contract met Alg. Armvoogden Texel, gratis.

De weduwe van Loenen-Bakker, eerder weduwe De Jong.

Op aankomstdatum geplaatst in kolonie II, Wilhelminaoord.

Zij bracht 2 kinderen mee: Bregje de Jong en Cornelis van Loenen.

Op 19-03-1825 gehuwd met kolonist J.H. Nieuwenhuis.

Reinouwtje kon spinnen en werken.

Reimertje Bakker, geboren op 15-03-1788; plaats van herkomst: Texel; godsdienst: kath.; aangekomen op 03-10-1824; ingeschreven in Frederiksoord als kolonistenmoeder; overleden op 23-12-1870.

Ingeschreven als wonende op hoeve: 39 (inv.nr. 1346); 39 (inv.nr. 1347); 39 (inv.nr. 1348); 39 (inv.nr. 1349); 39 (inv.nr. 1350); 100 (inv.nr. 2999); 100 (inv.nr. 3000); 48 (inv.nr. 3001); 40 (inv.nr. 3006); 128 (inv.nr. 3008).

Bijzonderheden:

Reimertje Bakker is de 2e vrouw van Jannes Hendrik Nieuwenhuis.

Op 26-01-1844 ingedeeld bij N. van Hoogmoed; op 18-02-1860 bij opvolger A.M. Leloux en aldaar overleden.

Reinoutje Bakker, geboren op 15-03-1788; plaats van herkomst: Texel; godsdienst: rk; aangekomen op 03-10-1824; ingeschreven in Frederiksoord als ingedeelde; overleden op 03-12-1870.

Ingeschreven als wonende op hoeve: 79 (inv.nr. 3000).

13-9 Daarna wordt de vergadering voorgelezen 2 missives van de Maatschappij van Weldadigheid te Fredriksoord dd 12 en 28 Augustus jl houdende mededeeling dat Reynoutje Reyers Bakker, thans te Fredriksoord aanwezig, niet in dat gesticht kan blijven, ten ware voor haar s'jaarlijks wordt bigedragen eene somme van 65.52- aangenomen voor kennisgeving en is na deliberatien besloten wanneer het blijken mogt, dat genoemde vrouw aan dit bestuur vervalt, haar te Fredriksoord te laten verblijf houden, en daarvoor s'jaarlijks te verstrekken 65.52

19-8-1861 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Wij verzoeken UEd bij deze, voor 4 weken verlof te willen geven aan Neeltje Kooiman, voor onze rekening in de Kolonie van Weldadigheid verpleegd wordende, om zich te begeven naar de gemeente Helder, ten einde daar dien tijd door te brengen bij hare zuster, welke is gehuwd met Leendert Bijl, xx aldaar. De reiskosten zullen tot dat einde haar worden toegezonden. Tevens nemen wij de vrijheid UEd te berigten, dat over dit voorschot ten onzen last kan worden gedisponeerd.

[Neeltje Kooijman was geboren op 5-5-1812 in de banne van de Waal. Haar zuster Maartje was van 1816. Hun ouders waren Albert Simonsz Kooijman en Maartje Jacobs Boon. Er waren totaal 8 kinderen, waarvan in 1861 alleen Neeltje en Maartje nog in leven waren. Maartje was in 1849 getrouwd met Leendert Bijl, die in 1820 was geboren in Herwijnen]

2-9-1862 Dat wij het kind van Jan Zaatman voor onze rekening nemen [maar wat den Helder al voor hem heeft besteed gaan we niet terug betalen]. Want alsdan zouden wij hem niet inde Kolonie van Weldadigheid gelaten hebben, zoo als wij nu ook besloten hebben, het naar hier te doen overkomen.

[halve bladzijde met onbegrijpelijke redenatie]

4-10-1861 Aan den Heer Directeur van de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord

Dat de weduwe Nieuwenhuize, van af heden voor rekening dezer gemeente in de kolonie van Weldadigheid Frederiksoord kan verblijven [behalve als blijkt dat zij onder de gemeente Groningen valt].

19-10-1861 Inlichtingen omtrent Willem Kooijman, die voor rekening van deszelfs Onderstandsdomicilie wordt opgenomen in het aan het Rijk behoorende Gesticht te Veenhuizen. Signalement: lengte 1.409 el, aangezigt rond, voorhoofd breed, neus ordinair, mond idem, kin rond, haar blond, wenkbrauwen idem, merkbare teekenen geen.

Naam Kooyman Willem. Geboren Texel 3-3-1851. Hervormd gedoopt op Texel, hervormd opgevoed, zonder beroep, ongehuwd, nog niet Militiepligtig, is in deze gemeente geboren en steeds woonachtig geweest. Vader Kooijman Cornelis, moeder de Vogel Esther, overleden. Met geboorteacte.

Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Brief 21-10 -1861 over Willem Kooijman: genoemd persoon is, ofschoon nog geen 12 jaren oud, van eene kloeke gestalte en gezond van gestel.

[De vader Cornelis Kooijman (1811/12-1860) kwam uit Zierikzee, hij was op Texel getrouwd met Esther de Vogel uit Ouddorp (1822/23-1860). Esther was op 28 februari gestorven, haar man was al eerder overleden. Ze lieten twee kinderen na, Antje (1846/47-1929) en Cornelis (1854/55- 4 juni 1864 Burg)]

1-11-1861 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Toetezenden Willem Kooijman, overigens hebben wij de eer genoemden persoon aan de goede zorgen beleefdelijk aantebevelen.

21-11-1861 Dat de weduwe Wilkes Zaatman met haaren zoon Jan Zaatman, indertijd als vrije Kolonisten in de Maatschappij van Weldadigheid zijn opgenomen geweest, zonder bezwaar der gemeentekas of van het Burgerlijk Armbestuur alhier. Gegevens in de archieven der gemeente of van het Burgerlijk Armbestuur zijn er niet of zijn in het ongereede geraakt, en daar deze zaken voor onzen tijd zijn geregeld kunnen wij er niet meer van mededeelen. De Directie der Maatschappij zal dienaangaande betere inlichtingen kunnen geven.

Hoe de plaatsing van de weduwe Zaatman met haar zoon Jan in de Maatschappij dan ook mag worden opgenomen, wij kunnen ons toch niet met het gevoelen vereenigen, dat na de dood der moeder het kind zijn Domicilie van Onderstand in deze gemeente kan blijven houden. Zijn moeder kwam van den Helder en het kind is daar geboren.

14-2-1862 Aan B&W te Helder

Dat wij inzake de kwestie over het Onderstandsdomicilie van Cornelis Buys en het kind Jan Zaatman de Koninklijke beslissing afwachten.

19-4-1862 Dat in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid zich voor rekening van onze gemeente bevonden op 31-12-1861 8 mannen en 5 vrouwen.

30-5-1862 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Kwitantie van f 40,22, wegens door deze gemeente betaalde verplegingskosten van personen in de Rijksgestichten te Ommerschans en Veenhuizen over 1861.

5-6-1862 Aan den Heren Gedeputeerde Staten van Noord Holland

UEdGroot te doen bekomen de extracten en afschriften der briefwisseling welke na den 15-9-1859 is gevoerd door de gemeentebesturen van Texel en Helder, zoo onderling als met het bestuur der Maatschappij Frederiksoord, over de verzorging van den minderjarigen Jan Zaatman.

12-6-1862 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Na Uwer missive dd 7 dezer, betrekkelijk de kolonist Albertus Boon, hebben wij de eer UEd te berigten, dat de ondersteuning aan dien persoon te verstrekken van onzes wegen voor 6 weken wordt verlengd, wanneer wij wederom omtrent zijnen toestand wenschten te worden ingelicht.

15-7-1862 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Dat wij toestemmen in uwe wekelijksen ondersteuning van f 0,65 aan de weduwe van A. Boon, in uwe Maatschappij gevestigd.

2-9-1862 Dat wij het kind van Jan Zaatman voor onze rekening nemen (maar wat Den Helder al voor hem heeft besteed gaan we niet terug betalen). Want alsdan zouden wij hem niet inde Kolonie van Weldadigheid gelaten hebben, zoo als wij nu ook besloten hebben, het naar hier te doen overkomen.

[halve bladzijde met onbegrijpelijke redenatie]

27-3-1863 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid uit deze gemeente op 31-12-1862 waren 7 mannelijke en 5 vrouwelijke bestedelingen.

15-9-1863 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Wat betreft het ontslag uit de Kolonie van Weldadigheid door de weduwe A. Boon. Van onzent wege kan die vrouw de Kolonie verlaten, doch moet zelve in het reisgeld voorzien. Gaarne werden wij bekend gemaakt met de datum van het eventuele vertrek.

2-6-1864 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat wij gaarne wenschten, dat de voor rekening dezer gemeente in het Gesticht Veenhuize verpleegd wordende jongeling Kooiman Cornelis, op de Kweekschool voor de Zeevaart te Groningen wordt opgenomen, en wij bereid zijn de daarop loopende kosten aan het Bestuur dier inrigting te voldoen.

13-9-1864 Aan B&W te Helder

Dat Christiaan en Adrianus Doodhagen niet bekend zijn, en hunnen vader niet voor rekening van de Gemeente in de Kolonie Frederiksoord gevestigd kan zijn geweest, zullen wij die zaak zoo spoedig mogelijk onderzoeken.

9-2-1865 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Eene wissel op de Heeren C. de Veer en Zoonen te Amsterdam ad f 133,56 met verzoek de hierbij gevoegde declaratie voldaan geteekend aan mij te willen retourneren.

15-4-1865 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid uit deze gemeente zich bevonden op den 31-12-1864 7 mannelijke en 4 vrouwelijke bestedelingen.

23-9-1865 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Of er gelegenheid bestaat om een jongen van 13 jaar, dien wij in ons Gesticht van Weldadigheid hebben opgenomen, ten Uwent in de Kolonie aantenemen en zoo ja, welke de voorwaarden en de optevolgen formaliteiten zijn. De knaap is de 14 December aankomend 13 jaar en lang 1,347 el, gezond en zonder ligchaamsgebreken.

3-10-1865 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Naar aanleiding Uwer geëerde letteren dd 20-9- 1865 N 1146 heb ik de eer UEd te berigten, dat wij den bewusten knaap gaarne wenschten optezenden, en volgens de opgegevene voorwaarden te besteden. De knaap is 14 jaren oud en zeer oppassend. Hij is vroeger opgezonden geweest naar de Kweekschool te Groningen voor de zeevaart, van waar hij is teruggekomen, daar hij wegens een liesbreuk was afgekeurd voor de zeedienst; ter wijl hiervoor het bestaan van dat gebrek niets was bekend en de knaap daarvan geen hinder heeft.

De gelegenheid om hem hier bij de boeren te plaatsen is niet zeer geschikt en de gelegenheid om wat van de landbouw te leren, zeer onvoldoende. Wij meenden daarom, dat het verdienstelijk voor den knaap zou zijn indien hij te Frederiksoord werd besteed, en op die wijze in staat werd gesteld in zijn onderhoud te voorzien. Aangenaam zal het mij zijn van UEd te vernemen of na in de opgegeven inlichtingen den knaap kan worden opgenomen, en zoo ja, wanneer hij zal kunnen vertrekken.

10-10-1865 Aan den Heer Burgemeester te Helder

Ik heb de eer UEdAchtb te verzoeken mij te willen doen geworden, een ongezegeld geboorte extract van Pieter Verberne, geboren binnen Uwe gemeente den 14 July 1858, benoodigd tot het opzenden van genoemde jongeling naar Frederiksoord.

6-11-1865 Dat genoemde jongeling morgen ochtend van hier op Harlingen vertrekt en woensdag morgens per spoor van daar naar Leeuwarden om verder per deligence naar Groningen te vertrekken, alwaar hij des avonds zal aankomen. Van zijne komst zal ik UEd berigt verwachten.

12-10-1865 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Onder verzending van het geboorte extract van Pieter Verberne heb ik de eer UEdele te berigten, [dat] genoemde jongeling de RC Godsdienst belijd, en zaterdag 14 October van hier per Veerschuit zal vertrekken, om dingsdags 17 October met de veerschuit naar Steenwijk te vertrekken, waarom ik verzoek xxx van te doen afhalen.

23-12-1865 Aan de Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

U bij dezen terugtezenden het contract wegens het opnemen en verzorgen van Pieter Verberne benevens eene assignatie op de Heer de Veer en Zoon te Amsterdam, ad f 37,51, zullende ik de declaratie behoorlijk voldaan geteekend van UEd tegemoet zien.

29-1-1866 Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

G Veer en Zoon ad f 65,52 ieder 2 stuks op

14-4-1866 Aan Zijne Excellentie de Commissaris des Konings in Noord Holland

Dat in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid uit deze gemeente zich bevonden op den 31-12-1865 8 mannen en 4 vrouwen bestedelingen.

9-6-1866 Aan de Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Ik heb de eer UEd hiernevens aantebieden de somma van f 37,06 zijnde het bedrag der declaratie wegens bestedingskosten en uitschotten voor Pieter Verberne, met verzoek mij daarvoor kwitantie te willen toezenden.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik om UEd medetedeelen, dat zich bij mij heeft aangemeld Antje Smit, huisvrouw van Jan Kleising, die mij heeft medegedeeld dat zij met UEd had gesproken over haar zoon Gerrit van Buiten, woonende te Vries in Drenthe en over diens plaatsing op eene hoeve, waarop de gemeente Texel eenige aanspraak schijnt te hebben. Aangezien ik daaromtrent niet genoegzaam op de hoogte ben, zoo ben ik zoo vrij UEd beleefdelijk te verzoeken mij omtrent deze zaak wel eenige inlichtingen te willen doen toekomen.

27-10-1866 Prijsopgave gekkenhuis te Deventer 'voor eene behoeftige lijder in de laagste klasse.

31-10-1866 C.J. Galama naar Deventer

1-11-1866 Op verzoek van den Heer Directeur der Gestichten Ommerschans en Veenhuizen tot plaatsing in een Gesticht voor Krankzinnigen van de persoon van Cornelis Joh. Galama ten koste van zijn onderstands domicilie Texel, alwaar hij is geboren den 25-12-1830/50.

20-11-1866 Dat de persoon van Galama C.J. werkelijk den 25-8-1830 alhier is geboren, en alzoo zijn domicilie van onderstad alhier kan worden erkend.

23-1-1867 Aan de Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Fredriksoord

Betaling ten behoeve van de weduwe J. Nieuwenhuis f 65,52 en voor J. Zaatman f 67,09.

28-5-1867 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord [Betreffende] de persoon van J. Zaatman hebben wij de eer UEdAchtb te verzoeken genoemde jongeling naar ons toetezenden. De wijze van expeditie laten wij gaarne aan UEdG over, hetzij over Zwartsluis of over Harlingen. Tot narigt dient dat geregeld den donderdags morgen na aankomst der spoor van Groningen de beurtschipper van Harlingen naar Texel vertrekt.

24-10-1867 Aan Burgemeester en Wethouders te Helder

Wij hebben de eer UEdA aantebieden eene declaratie van de Maatschappij van Weldadigheid te Fredriksoord, wegens bestedingskosten ten behoeve van P. Verberne, met verzoek dat bedrag aan de Directie dezer Maatschappij te willen overmaken.

Tevens nemen wij de vrijheid UEdA naar aanleiding van missive dd 16 Mei N 243/1167 A O te doen geworden eene declaratie, mede wegens bestedingskosten van genoemde jongeling, door ons volgens bijgevoegde kwitantie voldaan, en waarvan alzoo ten laste Uwer gemeente komt eene som van f 29,40 over 5 maanden vanaf 16 Mei tot 18 October ad f 5,80 per maand, welk bedrag wij met gemelde kwitantie van UEdA zullen tegemoet zien.

Aan de Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Fredriksoord

Wij hebben de eer UEd te berigten dat de jongeling P. Verberne, thans voor rekening van de gemeente Helder, in de Maatschappij van Weldadigheid wordt verpleegd en zulks ten gevolge van het overlijden zijns vaders. Wij hebben de declaratie die wegens bestedingskosten ons geworden bij Uwe missive dd 21 Mei N 1649 aan gemelde gemeente opgezonden, met verzoek het bedrag aan UEd overtemaken.

1-11-1867 Aan de Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Fredriksoord

Te verzoeken mij wel te willen mededeelen welke kosten voor deze gemeente zouden kunnen voortvloeyen uit de plaatsing van een huisgezin te Fredriksoord, bestaande uit man, vrouw en 3 kinderen. Wij hebben hier een gezin, waarvan de vader niet ongeschikt is, maar eenigzints wispelturig, en soms nog al sukkelende aan een gebrek aan zijn been, waarvan hij wel eens partij trekt om zich geheel in de armen van de Openbare Weldadigheid te werpen. Indien wij eenigzints spoedig berigt van UEd mogten erlangen kan het ons doel zijn om hem nog vóór den winter aftezenden.

Tot verder berigt dient dat de bedoelde is arbeider van zijn beroep en [dat hij] tevens het kleermaken heeft geleerd en uitgeoefend. Volgens Uwe geëerde missive dd 12-6-1867 N 987 heeft de gemeente het regt tot plaatsing van 2 huisgezinnen en het is van die regel dat wij wenschen gebruik te maken.

21-12-1869 Aan den Heer Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord

Te verzoeken mij wel te willen assisteren in de navolgende zaak als: Jacob Zaatman, vroeger verpleegd geweest in de Maatschappij van Weldadigheid, heeft een geboorteacte noodig ten dienste der Nationale Militie. Hij zelve weet niet waar hij geboren is, volgens opgave moet hij in 1851 geboren zijn. Zoude UEd dit ook kunnen nazien, of soms een geboorteacte voor hem kunnen erlangen, waarmede UEd mij zeer zoude verpligten.

30-12-1869 Jan Zaatman is geboren op 26-4-1851 in den Helder. De secretaris van Texel vraagt daar om een geboorteacte.

22-2-1871 Aan den Heer Burgemeester te Veenhuizen: Wanneer is Elsje Maria Beek weduwe Zaatman precies gestorven (tussen 1851 en 1860)?

26-7-1872 Aan den Heer Burgemeester van Egmond Binnen

J. Zaatman, nummerwisselaar voor Jb. Admiraal van de ligting 1871, wil zich hier vestigen.

28-8-1875 Aan den Heer Ambtenaar van de Burgelijke Stand te West Stellingwerf Vriesland

Mij te willen opgeven de datum van overlijden van zekere Naatje Kalf, gewoond hebbend in Frederiksoord. Het overlijden heeft waarschijnlijk plaatsgehad tusschen 1840 en 1850.

Idem naar de Ambtenaar van Steenwijkerwold.

[Jannaatje Hendriks Kalf (1809-1849) is overleden in het Derde Gesticht van Veenhuizen op 25-2-1849, extract overlijdensregister Norg dd 6-8-1849 (wat betekend dat die gegevens in de Texelse Burgerlijke Stand aanwezig waren)].


Home