Trouwen op z'n Texels

Pieter van Cuyck
Queest is niets anders dan de vryery der boeren, welke by nagt geschiedt; zoo als elders in de Provincie, en byzonder in Kennemerland, mede plaats heeft; een jonge kaerel, die verlieft is, gaat menigmaal, zonder wind of weder te ontzien, anderhalf uur ver naar zyn meisje, en hy moet dan somtyds verscheiden slooten over op balkjes, die los legen, en niet dikker dan een arm zyn; de vryster wagt hem in den beginne alleenlyk aan het open vengster; maar de gemeenzaamheid, de natuur en de nagt brengen hem wel haast in het huis en op het bed; en is het met die zaak niet eveneens gelegen in hutten als in paleizen? het onderscheid bestaat immers alleen daar in, dat het queesten hier gepaart gaat met de goede trouw en eenvoudigheid van zeden;
ook maaken de Ouders geene zwaarigheid om de jonge lieden te laaten begaan, verzekert zynde, dat, indien er eenige gevolgen ontstaan, het huwelyk de geschiedenis der vreijaadje besluiten zal; de gelykheid van staat brengt ook veel toe tot deeze gewoonte; nochthans gebeurt er in deeze bedorven tyden nu of dan wel eens een ongelukje; maar dit is altyd zeker, dat, al hadt een meisje 6 vryers, en bygevolg zoo veele queesters, gehad, zulks, indien zy vry blijft, geen het minste nadeel toebrengt aan haare eer of goeden naam; en dat de zevende haar zoo gaarne ter vrouw neemt, als of hy de eerste ware.
Denk evenwel niet, dat iedereen maar zoo in het wild by een meisje ter queest kan koomen, zoo als onze Stedelingen zich dikwyls verbeelden; geenzins; maar het moet gelyk slag zyn, en daar moet een voornemen wezen, om, wanneer zy elkanderen op den duur behaagen, den trouw ook te laaten volgen.
Ik verbeelde my, dat de gewoonte, om by nagt naar de meisjes te loopen, reeds zeer oud is; zoo om by dag geen tyd te verliezen, als om de gemeenzaamheid te bevorderen; de nagt immers vermindert de beschroomdheid en schaamte.
Meenigmaal duurt zulk eene vreijaadje een paar jaaren, welke, indien zy door de Ouders wordt goedgekeurt, den vryer zoo stout maakt, dat hy zich des middags ongenoodigt aan de tafel plaatst, hetwelke zy niet vreemd vinden, maar het besluit geduldig afwachten.

Zeedeloos, Texelse vrouwen in de Drentse landbouwkoloniën die daar net zo deden als thuis
Texel en de landbouwkoloniën, Wil Schackmann in blad HV-Texel nr 92

Kolonisten in Drente
In 1818 was de Maatschappij voor Weldadigheid begonnen met het stichten van landbouwkoloniën. Arme mensen konden daar met steun van beter gesitueerden een nieuw bestaan opbouwen, ze kregen een kans op een beter leven en de rijken werden verlost van een groep armen, die jaar na jaar moesten worden bedeeld en ondersteund en toch nog kwamen bedelen langs de deur.

Men moest wachten tot 1821 voor er plaats was voor Texelse armen. In 1822 kwam een tweede groep Texelaars aan in Wilhelminaoord. Nu mocht men ook wezen insturen voor 60 gulden per jaar, met per 6 wezen 2 gratis huisverzorgers. Ook mocht men dan twee aangrenzende hoeves gratis vullen met ‘gewone’ kolonisten. Voor 360 gulden per jaar was men dan 22 armen kwijt.
De meesten van hen waren vrouwen en kinderen, zoals Hendrikje Douwes die in hoeve 79 werd geplaatst met 6 weeskinderen, allemaal met een andere achternaam (Mooij, Bakker, Abbenes, Slot, Koger en Vlaming).
Men stuurde vooral weduwen met kleine kinderen of andere ‘lastposten’. De vrouwen waren soms al zwanger voor ze aankwamen, of werden dat al snel in Drenthe. Dat hoorde beslist niet. De Directie was dan ook niet zo blij met hen. Het betrof soms personen, die tot geen goed werk te brengen waren. De vrouwen gedroegen zich zoals ze op Texel gewend waren, vrij in de omgang met mannen.

Neeltje de Wijn trouwde op 26 oktober 1822 en ze beviel op 2 november van een dochtertje, dat was kantje-boord. Maar ze was toch netjes getrouwd toen het kindje kwam?

In oktober 1824 schreef de Onderdirecteur aan de PC: ‘Nog ter harer kennis te brengen dat Trijntje Tjebbes van Texel voor eenige dagen bevallen is van een onegt kind, zonder de vader te willen noemen’. Daar worden we nieuwsgierig van, maar we komen niet ver. Trijntje doopte het kind Jan Bakker Tjebbes. Dat is een schijnbeweging want Jan Bakker was de naam van haar meer dan 2 jaar geleden overleden man. En de halve kolonie draagt de naam Jan/Johannes dus het zal wel altijd gissen blijven wie de vader was.
Trijntje Tjebbes moest nu naar de strafkolonie, die al een behoorlijke Texelse signatuur gekregen had. Daar werd ze 4 jaar vastgehouden, terwijl ondertussen 2 van haar kinderen stierven, ook de kleine Jan.
Na haar vrijlating in 1828 vertrok ze met de 2 overgebleven kinderen. Ze bleef ongehuwd.

Achtergrond familie Tjebbes:
Klaas Jz Tjebbes, gebuwd met Martje Meijertsd Aller. Kinderen 1786 Trijntje, 1788 Antje, 1791 Hendrikje, 1795 Jan, 1801 Jacob. Vader is mogelijk uitlandig geweest.
Vader Tjebbes was loods in Den Hoorn (Loodsnummer 031H)

Bevolkingsregister van de Maatschappij van Weldadigheid:
Jan Jansz. Bakker, geboren op 01-10-1824; plaats van herkomst:
Wilhelminaoord; godsdienst: herv.; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenzoon; overleden op 10-11-1826. Ingeschreven als wonende op hoeve: 53 (inv.nr. 1353).
Bijzonderheden: Jan Jansz. is een kleinkind van Trijntje Bakker--Tjebbes.
Het kind is in Wilhelminaoord geboren en overleden in Ommerschans.
Dat Jan Jansz hier genoemd wordt als kleinkind lijkt mij niet correct gezien de geboortedata van haar kinderen (schreef Rob Gomes). ’t Zal klein kind moeten zijn.

Reinoutje Bakker kreeg kennis aan een Groninger die op de kolonie weduwnaar was geworden. Zij vroegen netjes toestemming aan de PC om te mogen trouwen en deden dat daarna. Ook Hendrikje Douwes trouwde zonder zwanger geworden te zijn met een dergelijke weduwnaar, uit Dokkum.

Maartje Verberne had al een op Texel geboren onecht kind [dat waren er 2, Ernst Kleberg was ook een kind] en trouwde in 1827, zeven dagen na de geboorte van een dochter, met een ingedeelde jongeman.

Texelse Geslachten II meldt over Maartje Cornelis Verberne (82):
Maartje Cornelis had 4 buitenechtelijke kinderen, vader waarschijnlijk Maarten Kleberg [ik (Irene) zou zeggen, alleen 183 is een kind van hem, want alleen dat kind heeft zijn naam]
181 Cornelisje Verberne 1813 Spijk-1813
182 Dieuwertje Verberne 1815 den Burg- xx
183 Cornelis Ernst Kleberg Verberne 1818-1893 Steenwijkerwold
184 Maarten Verberne 1821 den Hoorn- xx
huwelijk met David Christiaan Schouten uit Alkmaar
185 Marianne Maria Schouten 12-6-1827 Frederiksoord- 1863 Frederiksoord
Van de eerste 4 kinderen bleven kennelijk alleen Cornelis Ernst en Maarten in leven om met hun moeder naar de Proefkolonie te gaan. Ernst bleef daar wonen, net als zijn halfzusje.

Maartjes broer Pieter was de echtgenoot van Martje Mulder, de zus van mijn voorvader Hendrik Cornelisz Mulder. Hun dochter Martje Pieters had ook twee onechte kinderen, net als haar tante.

Neeltje de Wijn’s echtgenoot was al na korte tijd op de kolonie overleden. Midden 1827 was ze zwanger en meldde ze trouwplannen te hebben met een kolonistenzoon. Dat mocht op de kolonie eigenlijk niet in deze volgorde, maar de Directie was inmiddels een beetje murw van al zie ‘zeedelooze’ Texelse weduwen en gaf toestemming, al sprak hij wel de vrees uit dat het een slecht voorbeeld voor anderen zou zijn.
Texelse Geslachten II stamboom de Wijn II bld 183:
Neeltje Jans de Wijn, dochten van Jan Simonsz de Wijn en Trijntje Harmens de Haas 1789-1861
1 x Josef Deni Perie
2 x Petrus Gerardus Westhoff
3 x Leendert Cornelisz

Dominee Huizinga over ongebondenheid en involging van woeste drift
Als er getrouwd werd was er toch niets mis? Waarom dat gezanik?

18 maart 1845. De Burgemeester verhaalt hoe ‘t hier op de bruiloften toegaat. Brandewijn met rozijnen en suiker uit een spoelkom happen. Dansen op de muziek van een tang, waarop met een sleutel geslagen wordt en daarbij een luidruchtig gezang enz.

Ariaantje Koorn en Albert Boon
15 October 1852. Iemand van Zevenhuizen komt mij de bevalling van zijne vrouw Ariaantje Koorn berigten. Ik betuig hem mijn diep leedwezen over de treurige ondervinding die ik moest smaken van de ongebondenheid van zoovelen, daar ook hier weer het zoo duidelijk was dat involging van woeste drift had plaats gehad. Zij was nog maar kort getrouwd. De man meende zich zeer goed daarmede te kunnen verontschuldigen dat “dit zoo Texelsch gebruik was”(!). Helaas, zoo ver is het dan met de zedeloosheid gekomen!
Hij kwam mij vragen of zijne vrouw niet van ‘t winter bij mij leeren kon om lidmaat te worden! Zij kan lezen noch schrijven. Zij zelve zag er tegen op om het te vragen.
Jan Rab bij mij, hij scheen naar zijn toon te oordeelen, er niet veel kwaad in te zien, schoon hij anders sprak.
31 October 1852. Vanmiddag had ik een dankzegging te doen voor Ariaantje Jacobs Koorn “naar Texelsch gebruik” getrouwd kort voor hare bevalling. Ik meende daarbij ook te moeten spreeken van de diepe schaamte die haar in deze oogenblikken vooral moest vervullen, en van haar zucht tot uitwissching harer verkeerdheid door een rein Christelijk leven. Albert Boon, de vader, toont berouw. Niemand was gekoomen, niets gezonden aan de kraamvrouw.

Neeltje Pieters Boon en Johannes Sibrand Reijersz Keijser
29 Augustus 1865. Bij Pieter Boon de kraamvrouw Neeltje bezogt, nog zeer lijdende. Zij was 14 dagen na haar huwelijk bevallen.
Neeltje (1845-1907) en Johannes trouwden op 19 juli. Het kindje kwam op 4 augustus. Haar vader was zwaar aan de drank (stierf ‘in de jenever’ in 1866), leefde gescheiden van haar moeder. Kennelijk woonde het jonge paar bij hem in.

Pietertje Alberts Mulder en Pieter Kuijper
Pieter Kuijper en Martje Alberts Mulder
Pietertje stierf aan typhus, nog maar 42 jaar oud. Een drama.
31 Maart 1868. Des voormiddags naar ‘t Oude Schild, begrafenis van Pietje Alberts Mulder, aan Typhus in een paar dagen overleden. De Hulpmeester Kuhn was er voorlezer, daar Meester Genser mede zeer gevaarlijk ligt aan Typhus, zoo ook Keetje Bakker en nog een paar anderen.
Pietertje was in 1851 op 1 mei getrouwd met Pieter Kuijper (1825-1906), het eerste kind kwam na 7 maanden. De weduwnaar bleef achter met twee kinderen, Pieter (1851) en Albert (1856). Hij hertrouwde op 3 juni 1869 met Martje, de halfzuster van zijn vrouw. Die was bij het huwelijk 7 maanden zwanger, wat doet vermoeden dat ze meteen na de dood van Pietertje diens plaats in het huishouden volledig heeft ingenomen.

Jannetje Cornelis Maas en Jan Biemsz Vlaming
30 Augustus 1870. Op de terugreis bij Antje Wuis. Haar zoon getrouwd van ’t voorjaar en nu vader. Zijn vrouw is een dochter van Willem [Jannetje Cornelis] Maas.

Neeltje Bouwes Bakker en Arend Keijser
23 December 1873. Van de week bij de weduwe Bouwe Bakker bruidspartij, aanstaand huwelijk van Arend Keyser met Neeltje. Twist ontstaan. De bruidegom door zijn a.s. schoonbroeders ter deur uitgeworpen. De twist scheen reeds vroeger bij G. Bakker begonnen te zijn over de dwingende noodzakelijkheid van dit huwelijk.
[Ze trouwden op 26 december 1873, hun eerste kind kwam op 6 maart 1874- zeker een dwingende noodzakelijkheid!]

Dirkje Bakker en Gerrit Kooiman
11 October 1877. Ik had inmiddels weer huisbezoek gedaan van Roggeveen beginnende, geëindigd bij Dirkje Bakker (bij Gerrit Kooiman).
Dirkje was geboren in 1851. Zij zou op 26-9-1878 met Gerrit Kooiman trouwen en dat werd ook toen wel tijd, want zij was ruim 5 maanden zwanger, het kindje kwam op 3-2-1879. Ze zal wel als huishoudster bij Kooiman in huis gekomen zijn, die na de dood van zijn vrouw was achtergebleven met drie kleine kinderen. Huizinga beschouwde ze hier nog niet als een stel.
8 September 1878. Bij G. Kooiman en Dirkje Bakker, aldaar De Graaf, aannemer van der Kerk aan ’t Oude Schild.
Huizinga had toen de zwangerschap van Dirkje nog niet opgemerkt of had geen zin er drukte over te maken. Hij was erg tegen de Texelse handelwijze van ‘pas trouwen als het echt nodig is’, maar zijn jarenlange strijd daartegen had weinig uitgehaald. Men begreep werkelijk niet waar hij zich druk om maakte. Daarbij, over driekwart jaar zou hij van Texel vertrekken, dus wat zou hij zich nog onnodige onaangenaamheden op de hals halen?

Vrouwtje Knol en Jakob Smit
2 July 1878. Des middags vertrok onze meid Vrouwtje Knol, die hier ruim 3 of 4 jaar gewoond en ons vlijtig en eerlijk gediend heeft. In April gaf zij te kennen dat zij de dienst opzeide omdat zij in het huwelijk dacht te treden. Het bleek (na onze tehuiskomst van de reis) noodzakelijk te zijn. Met deernis zagen wij de ongelukkige vertrekken naar hare a.s. schoonmoeder (?). Haar vrijer is arbeider thans te Haarlemmermeer en schreef haar in den laatsten tijd slechts spaarzaam. Zij hoopte wel dat hij van de week zou overkomen ter voorbereiding van het huwelijk, maar had er geene zekerheid in (ik betaalde haar voor het laatste vierendeels jaars 20 gulden).
1 Augustus 1878. Vrouwtje Knol hier komende van het Raadhuis waar zij pas getrouwd was met Jakob Smit. Hij gaat wonen in het Noorden als knecht van Doctor Koning.

Trijntje Nans Eelman en Pieter Huibertsz de Ridder
Trijntje Nans Eelman, geboren op 17-4-1835 te Den Burg, overleden op 24-8-1916 in Den Burg, dochter van Nan Eelman en Aagje Koopman.
Zij was getrouwd op 14-4-1859 met Pieter de Ridder, geboren op 16-7-1832 te Lexmond, zoon van Huibert de Ridder en Huibertje de Bouter. Hij stierf op 27-6-1875 in het Koogerveld. Ze hadden 7 kinderen:
Het eerste kwam al na 4 maanden, Huibertje, geboren in de polder Waalenburg op 9-8-1859 en ‘een kwartier oud’ gestorven.

Wel zwanger, niet trouwen

Betje Bruin en Jan Buis
15 February 1849. Onze meid Betje Bruin verkeert dezer dagen in een treurigen toestand. Haar minnaar Jan Buis schrijft haar niet meer en schijnt haar te laten zitten. Zij trekt zich dit zeer aan en schijnt dikwijls geheel buiten zichzelve, zoodat Alida veel last van haar heeft, hoe beklagenswaardig zij ook is.

3 October 1869. Bezoek afgelegd bij Jacob Dijksen, laatstleden donderdag getrouwd. Mijne toespraak, waarbij ik het gevoel van leedwezen over al het gebeurde (men verzekert dat het kind, waarvan zijne minnares van verleden jaar onlangs bevallen is, zijn zoon is) bij hem poogde te verwekken, ofschoon zoo humaan mogelijk, voldeed hem zoo weinig, dat hij mij verliet en mij alleen liet zitten met het woord: ”Ik wil van dat gezanik niet meer hooren”. Ik ging heen met den wensch dat mijn woord heiligend nadenken moge wekken.
4 October 1869. Des namiddags nog eenig huisbezoek. Bij Arie Dijksen regt goed gesproken, daarna mijne ontmoeting bij zijn zoon Jakob verhaald. De vrouw gaf daarover hare afkeuring te kennen maar niet over het gedrag haars zoons. Ik had mij daarmede niet moeten bemoeijen, enz.

Trijntje Cornelis Dijksen en Rens Maartensz Daalder
24 September 1877. Huisbezoek aan den Burg. Trijntje Cornelis Dijksen (Weverstraat) vond ik in diepe treurigheid. Zij moet moeder worden en Rens Daalder, de schuldige, veracht haar. Ik sprak haar moeder enstig tegen, die beweerde dat zij zich overal met een gerust geweten vertoonen kon.
30 September 1877. Op de Steenen Plaats groote drukte om het aangeplakte vers te lezen tegen Rens Daalder om zijn verboden omgang met Trijntje Cornelis Dijksen.
5 October 1877. Ook bij Maarten Daalder was het mij niet aangenaam. Rens was ook te huis (allen aan het middagmaal). Zijn schandelijk gedrag is thans in aller mond. Hij, geholpen door alle zijne huisgenooten, vooral door zijne moeder, gaf zich het voorkomen van de belasterde onschuld. Hij kon alzoo met een gerust gemoed aan het Avondmaal gaan. Ik liet het natuurlijk niet aan ernstige waarschuwingen, ook tegen de groote zonde van huichelarij, ontbreken.
12 October 1877. Des namiddags heb ik mijn huisbezoek geëindigd bij Jan Rab en Sijbrand Jansz Keyser. De eerste ergerde er zich zeer aan dat zulk een verachtelijk mensch als Rens Daalder welligt nog mede zou aanzitten aan het Avondmaal. Hij zou zich, ook nog na mijne ernstige toespraak van verleden vrijdag, op l.l. zondagavond met Reinder Fester allerschandelijkst gedragen hebben bij Antje Glasener op de Mient, volgens geloofwaardige mededeelingen van den dooven Willem Maas en zijne vrouw, daar in de nabijheid woonachtig. Rab wilde wel dat men zulk een mensch van het Avondmaal weeren zou als een schandvlek van den Doopsgezinde naam. Ik trachtte hem te doen begrijpen dat wij niet als Regters van Instructie zitting konden nemen om ieders schuld te bepalen.
Ik zocht zijn eigen schuldgevoel te wekken. Hij erkende niet REIN te zijn, maar toch niet aan ZULKE zonden schuldig te staan, ja, dat hij zich schamen zou on naast zoodanig een te zitten. Ik wees hem op het gedrag van Jezus. Vrouw in overspel gegrepen (meestal heeft men iemands misdaad als hier van hooren zeggen). “Wie van U zonder zonde is- Ga heen en zondig niet meer”. Hij zeide, dan zou het huisbezoek wel nutteloos zijn.
Ik antwoordde dat juist mijn doel was overal ‘t bewustzijn van schuld te doen ontwaken, maar ook dan te zeggen “Ga heen en zondig niet weer”. Dit had ik ook bij Rens Daalder gedaan en ernstig gewezen op de zonde van huichelarij. Dit had ik ook hier te doen. Geen diepe verachting, maar diep medelijden moest hem het oog op zulken als Rens Daalder (gesteld dat men overtuigd was van zijne schuld) doen vestigen enz.


Trijntje Cornelis Dijksen staat in het Dijksen-parenteel in Texelse Geslachten. Ze was geboren in 1853, dochter van Cornelis Jansz Dijksen en Cornelisje IJsbrands Brouwer. Rens Maartensz Daalder, timmerman, 1846-1935, trouwde pas in 1892, met Trijntje Gerrits de Groot uit Egmond.

Trijntje Nans Eelman en Aris Eelman (Kievit)
Dagboek 31 July 1879. Trijntje Nans Eelman bevallen, de hulp van Doctor Ensing haar vanmiddag nog even bijtijds toegestaan door de kerkeraad op ontvangst van een briefje van Doctor Ensing volgens afspraak van mij met Jantje de Vogel die hier vanmiddag den bitteren nood kwam klagen.
Uit de notulen van de kerkenraadsvergadering van 31 juli 1879
Wordt behandeld een pas ingekomen aanvraag voor de wed. de Ridder-Eelman om verloskundige hulp. Dr. G. Ensing vroeg of zulks voor rekening van de doopsgez. gemeente van Burg c.a. kan geschieden. Na discussie over deze zaak die minder aangenaam was, daar het gold eene vrouw die van bekend onzedig levensgedrag, buiten echt (huwelijk) verloskundige hulp noodig had, wordt besloten daar men haar in deze omstandigheid toch niet geheel aan haar lot overlaten kan, als doctorshonorarium f 7,50 diponibel te stellen.

Het kindje was een meisje, Jannetje, waarschijnlijk genoemd naar de moeder van Aris Eelman, Jantje de Vogel, die geholpen had bij de bevalling. Het kind werd maar 5 jaar oud, ze stierf op 26-2-1885. Of haar vader en moeder nog samenleefden? Huizinga vertrok naar Groningen zodat hij er niet meer op kon letten.

‘t Huwelijk, een verbintenis van groote eerwaardigheid

Zo hoort het eigenijk, huwelijk van Samuel Jakobsz Huizinga en Dolfina Wentink
3 Augustus 1871. Schoone dag. Om half 11 naar ‘t Raadhuis. Aldaar Trouwplegtigheid door Burgemeester Loman en Stikkel. Getuigen: A. Dekker, Vader Kunst, Mooijen en C. Rab. Collecte voor de armen. Weer te huis gekomen hield ik in de achterkamer een vaderlijke toespraak, over ‘t Huwelijk, een verbintenis van groote eerwaardigheid, van innigheid, eeuwigheid en eindelooze duur.

Soms was de vrouw niet zwanger bij het huwelijk
Vaak was er dan iets mis met de vruchtbaarheid.
26 February 1871. Oosterend. Teunis Drijver zijn vrouw bevallen, voor ‘t eerst, 9 jaar getrouwd.
Er waren ook echtparen die helemaal geen kinderen kregen. Huizinga was bijvoorbeeld erg gesteld op Dirkje Dekker, die ook nog niet voorhuwelijks zwanger werd.
6 Maart 1848. Dirkje Dekker komt hier zeer erkentelijk bedanken voor het genoten onderwijs. Zij maakt dus eene uitzondering op de overigen.
Ze kreeg echter helemaal geen kinderen, dus dat was waarschijnlijk geen verdienste door oppassend te leven, maar door onvruchtbaarheid van haar of haar echtgenoot. Wat Huizinga niet wist was dat Dirkje al meer dan een maand oud was toen haar ouders trouwden.
Wel zwanger bij het huwelijk, maar door miskraam niet daarmee in het geslachtenboek:

4 July 1870. Klaas Mantje sprak gister ook nog over het treurig geval van de noodzakelijkheid voor de 16-jarige Dirk Mantje op Molenbuurt om te trouwen met de meid van over de 20. Hij was als voogd zeer met de zaak begaan. Maar vooral nadat hij de overtuiging had gekregen dat de knaap meer de verleidde dan de verleider was geweest, was hij er voor dat zij NIET zouden huwen. Ik was het in dezen wel met hem eens.

19 July 1870. Ik kreeg bij beide het verhaal van het treurig geval met de 16-jarige Dirk Mantje. De meid Dieuwertje Koning onlangs bevallen, over haar treurige toestand.

Rapport van Burgemeester Loman
Loman schreef in zijn rapport over de toestand op Texel (gegevens over 1884-1889):

Op het Oude Land. De moraliteit laat weinig te wenschen over. Zij zijn eerlijk, spaarzaam en ordelijk. Sterke drank wordt op het platteland in het geheel niet, in de dorpen weinig, alleen bij extra gelegenheden, gebruikt. Onwettige geboorten komen niet voor.

De arbeiders in Eijerland zijn over het geheel vlijtig en eerlijk. Ook hier wordt geen sterke drank gebruikt en komen evenmin onwettige geboorten voor. Daarentegen worden dikwijls kort na het huwelijk kinderen geboren.

Heeft hij niet opgelet, of wilde hij zijn gemeente goed laten uitkomen?

Bron: Texel en de landbouwkoloniën, Wil Schackmann in blad HV-Texel nr 92
Dagboek Huizinga
Rapport Loman



Home