|
Ouderlijk huis van Kees Gorter |
![]() |
| Schets van het huisje van Pagga door dominee Bakels in 1884. |
| Op luchtfoto van augustus 1944 aan de vegetatie goed deze plek te zien. Daar is het berkenbos geplant in 1932. De hut zal kort daarvoor zijn weggehaald. De herinnering van de familie dat ‘de hut is afgebroken door boswachter Schol’ klopt dan ook. Die afbraak was niet in 1917, zoals eerder gedacht. Schol was toen nog niet op Texel in Staatsdienst, maar rond 1930 wel. Hij vond het een schande was dat mensen vroeger zo armoedig moesten wonen. Boswachter Min dacht er indertijd precies hetzelfde over, die plaggenhutten waren ‘niets meer dan beestenstallen’. Maar- alle zegslieden beweerden dat de hut stond ‘waar later het dennenbos’ was, ook Logman in zijn verhaal over ‘de Landmeter en het hondje van Pacha’. Deze landmeter kennen we nu bij naam, het was de man die de kaart van 1873 gemaakt heeft, J.H. van Melle. Het huisje van Pagga stond dus niet in het Donkere Dennenbos, maar erbij, in het berkenbos aan de oostkant ervan, wat inhoudt dat mondelinge overlevering niet altijd betrouwbaar is. De mededeling “De keet stond in de bocht van de Randweg in het Donkere Dennenbos” moet zijn “Aan de Randweg in het Oude Berkenbos”. WANNEER GING PAGGA NAAR DE MIENT? Na de verkoop van zijn ouderlijk huis in 1856 zou Pagga naar de Westermient zijn gegaan, dat klinkt niet vreemd. Het BB zegt: ‘[Gorter] kwam terecht op zijn hut, Pachaweg’. Dan zou hij in 1856 vertrokken zijn naar de Mient. Vraag: stond de hut in het begin wel op eerstgedachte plek en is later de andere hut nieuw gebouwd? Of is dat blokje op die plek gewoon een blokvormige inktvlek en geen huisje? Andere vraag: heeft Pagga meteen gebouwd op de plek van 1873, en was hij in 1859 gewoon nog inwonend bij zijn familie in De Koog? Het ouderlijk huis was immers niet aan vreemden verkocht, maar aan Jacob Eelman, de zwager van Pagga. Merkwaardig is het verhaal dat die wel eigenaar was van het huis, maar het verhuurde aan anderen, die echter niet op het adres staan ingeschreven. Werd het eigenlijk wel verhuurd? Bleef Pagga daar nog een paar jaar wonen? Eelman zelf staat ook niet ingeschreven in De Koog. Niet mee naar Amerika Jacob Eelman en zijn gezin gingen in 1866 naar Amerika. Waarom ging Pagga niet mee? Omdat hij getrouwd was en zijn Antje te ver heen zwanger was? Was het te duur voor ze? Durfden ze het om een andere reden niet aan? Wilde Pagga gewoon blijven waar hij was, bij de zee? Bewonerslijst wijk Koog 1859: Cornelis Gorter staat vermeld op nr. 46 in het dorp. Was hij daar wel vertrokken, maar had niemand dat gemeld bij de autoriteiten? Woonde hij nog in zijn ouderlijk huis bij zijn familie? De kinderen van Pagga en Antje geboren op de Mient tussen 1866 en 1874. Dan zal hij er in 1865, toen hij met buurvrouw Antje trouwde, toch al wel een jaar of wat gewoond hebben. Het bewijs dat hij er al voor 1862 een huisje had gebouwd, blijkt uit de onderstaand verhaal. Clandestien bouwsel Was die plaggenhut zonder vergunning gebouwd en wenste hij er niet de aandacht op te vestigen door een adreswijziging op te geven? Het was dan beter niets te doen. Als er eens een ambtenaar langs zou komen kon men zich van de domme houden en veinzen niet te weten dat er vergunning nodig was. Bij zo’n gelegenheid sprak een Texelaar uitsluitend plat Texels en verstond de ambtenaar beslist niet. Uit de correspondentie tussen de Opzigter van Rijkswaterstaat en Gedeputeerde Staten van Noordholland blijkt dat dit inderdaad het geval was. Gorter was een van de personen die een bouwsel op de Mient hadden gezet zonder er land te pachten, zonder te betalen dus. Zijn naam staat op de lijst van ‘Bezitters van gebouwtjes op de Mient van Texel, die geen regt van opstal hebben’. De eerste brief hierover werd in 1862 geschreven door opzichter C. van der Starr, met bijgaand de lijst met wel 38 namen. Men kon alsnog vergunning krijgen, maar daar waren kosten aan verbonden. In 1869 was er nog niets geregeld: Gedeputeerde Staten aan de Burgemeester van Texel, 3 november 1869: Er is aan bedoelde personen aanzegging gedaan dat indien zij hunne opstallen na 31 December 1869 willen behouden, zij dan een contract van opstal kunnen aangaan en dat zij bij weigering daarvan hunne opstallen voor 1 Januarij 1870 zullen hebben weg te ruimen. Onderscheidene dier personen hebben echter geweigerd om mede te werken tot het sluiten van het bedoelde contract van opstal, waarop eenige kosten vallen, die ten hunnen laste zouden komen en wel omdat zij er op rekenen, dat noch het rijk, noch de provincie hen tot de wegruiming der hier bedoelde gebouwen zal noodzaken. Waarschijnlijk had het oprakelen van deze kwestie te maken met het per I januari 1870 aangaan van de nieuwe pachtperiode, waarbij het tegenover de pachters wel netjes zou zijn de percelen ‘schoon’ op te leveren. Hoe dit afliep is niet in het Texelse Archief te vinden, omdat daar alleen de brieven aan de Burgemeester worden bewaard en niet de antwoorden er op. Hoe dan ook, Gorter bleef op de Mient wonen. Op de lijst voor het Dienstbodengeld stond Pagga vermeld op nr. 76, tussen Jan Vlaming (op Uit en Thuis) en Gerrit Witte (op de Onderneming) in. Deze lijst is opgemaakt in 1879, nadat de kaart van 1873 was gemaakt. Het maakt trouwens voor de volgorde op de lijst niet uit of de keet van Pagga op de ene of de andere plek stond, het was hoe dan ook tussen Vlaming en Witte in. VERDER VAN ZEE Pagga’s Paadje begon dus niet aan de duinvoet, maar al veel meer richting Ploegelanderweg (die pas in 1900 werd aangelegd op het huidige tracé). De verklaring van Han Witte van Bloemwijk is dus geheel juist, hij zei dat het niet ‘Paggaweg’ moest zijn, maar ‘Pagga’s Paadje’. Dat had hij van zijn vader. Bloemwijk werd in 1900 gebouwd, de eerste bewoners van die boerderij hadden de oude situatie nog net meegemaakt. Er is pas bij de bosaanleg in dat deel van de Mient een weg van gemaakt, jaren nadat Pagga naar Den Burg was gegaan in 1909. Het is wel een verbazend flink stuk verder lopen naar het strand. Niet kinderloos JAN EN WILLEMIJNTJE Jan Jacobsz Keijzer en Willemijntje Bieker hadden wel een kind, het was geboren op 14-11-1883 in Den Helder, zo staat het vermeld in de lijst met aanvullingen in Texelse Geslachten deel I. Het kindje heeft vast niet lang geleefd, want er werd later in de familie geen herinnering aan bewaard. MEDEBURGERS! Dat was de aanhef van een bedelbrief voor de weduwe van Jan Reijersz Huisman. Hij was getrouwd in 1876 met Trijntje Hendriks Koorn, en liet haar in 1887 achter met een flink gezin. Een van de deelnemers was C. Gorter die intekende voor 2 1/2 cent per week. Het bedrag dat werd toegezegd per week was bij elkaar F 1.10, met nog wat giften in eens, bij elkaar maar F 11,50. Wie zou dat geld wekelijks moeten gaan ophalen? De weduwe zelf? Dan zou zij elke week naar de Mient moeten lopen voor die paar centen….. En had Pagga al zijn geld niet heel hard voor zichzelf nodig? Hij was toch beslist erg arm! Misschien gaf hij wat omdat Trijntje een ‘buurmeisje’ van hem was. Ze woonde met haar ouders in een keet vlak onder de Koog, in die dunbevolkte streek ben je dan buren. Haar vader Hendrik Koorn zal ook wel gelijk met Gorter op het strand zijn geweest, hij woonde niet zomaar onder de duinkant en die jutters kenden elkaar allemaal (zie ook Clandestien bouwen). GASLICHT Jan Zwan had een verhaal van Arie Maas gehoord over Pagga, die voor het slapen gaan een plas deed buiten op de hei. Pagga zei: “Ik sting te zeiken en toen ging in Den Burg het licht aan”. Alsof het een met het ander verband hield! Zwan was in 1940 op Texel gekomen. Hij had nooit werkelijk begrepen dat het bos er vroeger helemaal niet was. Pagga had vanaf zijn huis over de Mient ruim zicht op het dorp, waar op 11 mei 1907 in de schemering op de Groeneplaats een proef werd gehouden met aerogaslicht. ONDERDUIK IN NIEUWENDAM Oude connecties- of hoe kwam men aan een onderduikadres? Op Texel had de jutter Pagga met de handelaar Vlessing te maken- die kocht alles, gejut, gestroopt, dat maakte niet uit, als het maar handel was. Hij leverde het juttersgezin allerlei spullen, kleren, stof, wat men maar nodig had, tegen betaling, maar men kon ook ruilen of ontvangen op afbetaling als het moest. Die band tussen Vlessing en Gorter bleef bestaan in de volgende generaties. Ook in Nieuwendam leverde de firma Vlessing textiel, zelfs nog aan de kleinkinderen van Pagga. Dat waren ze zo gewend. Dat Ies Vlessing joods was deed er toen niet toe. Achterkleindochter Antje vertelde: Hij kwam naar Nieuwendam, zo twee keer per jaar en bracht dan koffers met kleding en textiel mee. Ies Vlessing was een erg aardige man, maar als kind kreeg ik de schrik, want hij bracht een winterjas voor mij mee waarin je geen vin kon verroeren. Keurige jas met….. bijpassend vilthoedje. |
![]() |
| Ook voor m’n
ouders bracht hij spullen mee, maar daar heb je
als kind geen belangstelling voor. Bij de buren kwam hij ook en ook bij
kennissen van ons in Oostzaan, de familie Krijnen, ook Tesselaars. Jaren ging dit door, het werd oorlog en….. toen ineens geen Vlessing meer, waar hij was, niemand wist het. Wel kwam [rond 1942/43] zijn broer Eli bij ons vragen of wij wisten waar Ies was. Geen idee (echt niet) en alle andere families waar z’n broer kwam wisten ook van niets. Hij geloofde het niet erg maar werd toch niets wijzer….. gelukkig. Hoe kon Eli zo vrij rondreizen terwijl andere jodenmensen moesten onderduiken en een gele ster op hun kleding dragen? Dat vroegen ze zich allemaal af. 5 mei, de bevrijding eindelijk. Een paar dagen erna toen iedereen er zeker van was kwamen onze buren vertellen dat Ies Vlessing bij hun ondergedoken was geweest, maar het droevige was dat de man een dag voor de bevrijding was gestorven, ik meen aan longontsteking. Hij is door de Ondergrondse meegenomen in een pakkist, dubbelgevouwen, en begraven in de berm naast het kerkhof op Nieuwendam. Later is hij herbegraven in Huisduinen. Een triest verhaal, dit vergeet je nooit meer. Onze buurvrouw was een oude moeder met een dochter, die een kruidenierswinkeltje hadden. Heel moedig van die vrouwen, want ook bij hun was Eli komen vragen naar z’n broer. De jonge Antje dacht aan de arme Ies, die op zolder bij de buren zat en uit het raampje de kinderen op straat kon zien spelen, maar niet naar ze mocht zwaaien. Niemand wist van zijn bestaan en dat was maar goed ook, achteraf. Ze vonden het allemaal zo vreselijk jammer dat juist hij de oorlog net niet had overleefd! Het verhaal gaat dat Eli Vlessing een Texelse vrouw had laten verklaren aan de Duitsers dat zij zijn echte moeder was, maar dat hij was opgevoed in het gezin van zijn vader. Op zich was dat niet onmogelijk, want men kon de oude Vlessing desgewenst ook in natura betalen en daar was wel eens een kindje van gekomen, maar in Eli’s geval was het echt niet waar. Hij heeft er wel de oorlog mee kunnen overleven. NIEUWENDAMSE VERHALEN Texelaars onder mekaar In Nieuwendam woonden meerdere Texelse gezinnen, de meeste mannen werkten bij de HSM als bootwerker. Antje Huisman herinnert zich: Klaas Puiman getrouwd met Aagje Maas, Willem Burger en Marretje Kok, Albert Boon en vrouw, Pieter Brouwer en Agaat Bruin, Pieters zuster Neeltje Brouwer en Willem Lenghous. De Texelaars in den vreemde trokken erg naar elkaar. ’s Zondags na kerktijd gingen ze koffiedrinken en Texels praten. Gezellig. Marretje Kok uit het Gerritsland was daar de beste vriendin van Antje Gorter. Ze kenden elkaar al hun hele leven. Kleindochter Antje, enig kind, was ’s zondags mooi aangekleed in een jurkje met kant en een strik in het haar. Dan zei Marretje Kok (elke zondag weer): “Kiend, je ben zo kaant als puus!” Dat hoorde er bij. Skeepedooiertje Antje Gorter vond het maar niks als haar kinderen gezellig zaten te schemeren. “Weerom zitte jullie bij dat skèèpedooiertje?” Dat bleek een klein lampje te zijn om het clandestien slachten van een schaap bij te lichten. Pensioen Getuigschrift: 27-September 1934. J. Huisman, geboren 31 October 1871, is sedert 21 Mei 1906 in dienst geweest als bootwerker en heeft gedurende dien diensttijd op alleszins loffelijke wijze aan al zijn verplichtingen voldaan. Hij wordt heden op zijn verzoek op de meest eervolle wijze afgevoerd en ontvangt tot wederopzegging een ondersteuning van voorloopig vijf gulden per week.- Hollandsche Stoomboot Maatschappij NV. |
![]() |
| De grootouders Huisman met kleindochter en een vriendin. |
| Hout om huis Na zijn pensioen vertrok Jacob Huisman met zijn Antje Gorter weer naar Texel. Daar waren ze vandaan gekomen en dat trok nog steeds, al woonden hun kinderen nog in Nieuwendam. Ze hadden een mooi huis in de Kamerstraat in De Koog, dat je haast niet kon zien van al het juthout dat er omheen stond, rondom lagen stapels hout, geen gezicht. Ze noemden het ‘Huize Annie’ naar hun kleindochter. Daar is Jacob Huisman in 1938 gestorven. Antje Gorter is toen weer naar de Nieuwendammerdijk gegaan, ze woonde in het huis naast haar kinderen. Ze is in 1946 in Nieuwendam gestorven en aan Den Burg begraven, naast haar man. Op Texel hoorden ze thuis. |