Texelse krankzinnigen


In de Notulen van de Municipaliteit van Texel van 1795 tot 1813 was weinig sprake van krankzinnigen die naar een gesticht moesten worden overgebracht. Nu waren er in tijd nauwelijks inrichtingen voor zulke mensen, dus het moest wel heel erg gesteld zijn met een geesteszieke, wilde die worden overgebracht naar een gekkenhuis. Meer dan dat was zo’n inrichting niet.

Pieter Jansz Gorter was zo krankzinnig, dat men hem wilde plaatsen in het Buitengasthuis in Amsterdam. In juni 1797 kwam het bericht dat hij kon worden gebracht, maar of dat ook werkelijk gebeurd is valt niet uit de Notulen op te maken.
Over andere gevallen werd niets genoteerd.

Later ging dat anders, al bleven de meeste gestoorden gewoon thuis
Elk jaar schreef de Burgemeester van Texel in zijn jaarverslag aan de Commissaris des Konings:
Dat in deze gemeente geen krankzinnigen zijn, waarvoor opsluiting noodzakelijk is, dan die welke in het Gesticht Meerenberg verpleegd worden.
Of Dat zich binnen deze gemeente geene krankzinnigen bevinden, welke op ongepaste of onmenselijke wijze worden verpleegd, of eenen opzending naar de daarvoor bestemde gestichten noodzakelijk maken.
Dat was niet helemaal waar, er leefden ook mensen op Texel waar een steekje aan los was, op allerlei manieren. Dominee Huizinga schreef over zulke gevallen in zijn dagboek. Het ging om godsdienstwaanzin, zwaarmoedigheid, postpartum-depressies, manisch-depressieve stoornissen, enzovoort. Voor veel van die aandoeningen bestaat tegenwoordig een behandeling, maar toen niet. Soms ging de zwaarmoedigheid vanzelf over, soms werd de genoemde persoon korte tijd later begraven.
Naar een Gekkenhuis ging men pas bij werkelijk onbeheersbaar gedrag, als “opsluiting noodzakelijk” was. Dan moest de Burgemeester brieven schrijven over de opname naar de Officier van Justitie en de Directeur van het Gesticht Meerenberg. Soms moest de opname betaald worden uit de Armenkas van het Domicilie van Onderstand, de geboorteplaats, van de patiënt, waarover moest worden gecorrespondeerd. De aansprakelijke gemeentes probeerden kosten te vermijden. Arme lijders werden in de laagst mogelijke klasse verpleegd.

In 1866 steeg het totaal aantal in de gestichten verpleegde personen van 2877 tot 2995.
In 1875 werden in Meerenberg 358 mannen en 416 vrouwen verpleegd.

KRANKZINNIG MAAR NIET IN EEN GESTICHT OPGENOMEN
Hendrikus Romke
Brief 20-6-1846 Aan de Burgemeester van Koudum
Dat Hendrikus Romke in het Gesticht van Weldadigheid, als arbeider in de polder Eijerland werkzaam geweest bij eene aldaar plaats hebbende indijking, en voor een paar dagen eensklaps overvallen door eene ongesteldheid die vooral op deszelfs Hersengestel schijnt te werken, zoodat dezelve verkeert in eene schier aanhoudende staat van zinneloosheid en woestheid, die deszelfs aanhoudende bewaking van twee sterke mannen noodig maakt. Hij bevindt zich overigens onder gepaste geneeskundige hulp.
Inlichtingen voor zoover wij die van een zijner Makkers, welke 40 jaar naast het huis der gestorven ouders van Romke heeft gewoond. [Volgens de makker was Romke vroeger krankzinnig geweest] en te dier zake in een Gesticht voor de zoodanigen zijn verblijf hebben gehad.
1-7-1846 Aan de Burgemeester van Koudum
Declaratie van uitgaven gedaan door het Gesticht van Weldadigheid ter zake van de op 7 mei krankzinnige Hendrik Romkes, gedurende den tijd dat hij is opgenomen geweest, als mede die zijner begraving. Dat uit aanmerking der bijzondere omstandigheden Heeren Regenten van dat Gesticht niets hebben gerekend voor de gewone verblijf- en verplegingskosten.

Johanna Christina Schneider (1812-1888)
Huizinga 14 February 1847. Tusschen 12 en 1 uur nog eventjes bij Reijer Sijbrandsz. Keijser geweest, zijne vrouw Chrisje zeer ongesteld. Zij lijdt aan eene hooggaande zwaarmoedigheid sedert vele maanden die steeds toeneemt. Vanmiddag had zij een toeval gehad. Zij is soms als waanzinnig.
17 February 1847. Zij schijnt thans geheel simpel te weezen.

Guurtje Kuiper (1807-1889)
Huizinga 28 Maart 1848. De vrouw Guurtje Klaas Kuiper, die weder zeer aan vlagen van zwaarmoedigheid laboreert, heeft geheel geen lust en zoo zij meent geen kracht.

Vrouwtje Dijksen (1831-1854)
Huizinga 25 November 1854. Vrouwtje Dijksen, onlangs voorspoedig bevallen, is nu krankzinnig en zeer gevaarlijk.
8 December 1854. Begrafenis van Vrouwtje Dijksen in de Waal, voor 14 dagen van haar eerste kind bevallen en daarna in eene hevige krankzinnigheid gestort waarin zij zelfs eenmaal bed en huis naakt ontvlugtte. [Kraamvrouwenpsychose?]

Marretje Zuidewind (1817-1857)
4 Mei 1857. Bij Pieter Kikkert. Zijne vrouw Marretje Jacobs Zuidewind, sedert ruim een week bevallen van Marretje Pieters Kikkert, is in zeer slechten staat, meestal krankzinnig. Idem?
[Het kind leefde van 27 april tot 12 augustus 1857, de moeder stierf op 7 mei 1857].

Martje Rab (1825-1875)
4 September 1859. Martje Rab is sedert verscheidene dagen geheel buiten verstand en ligt soms 25 uren achtereen te praten en te zingen. Ik kan ook niets met haar worden.

Cornelis van der Ploeg (1800-1867)
Huizinga 30 Maart 1853. Vroeger kwam hier Cornelis van der Ploeg, een ongelukkige man, het bleek mij weldra dat hij geheel krankzinnig was. Hij kondigde zich aan mij aan als dengeen met wie ik dagelijksch te doen had, namelijk als Jezus Christus, die het getuigenis heeft in zichzelven, die God die alles in allen vervult. Ik had diep medelijden met de ongelukkige die door velerlei rampspoed als vervolgd eindelijk het regte spoor bijster geworden was. Hij wilde naar Groningen naar zijne familie om wat verzachting van zijn drukkend leed te zoeken. Ik raadde hem die reis aan maar tevens werkzaamheid. Zocht blijmoedig vertrouwen op God bij hem te wekken, enz. Eindelijk ging hij heen.

Brief van Burgemeester Keijser 19-8-1864 Aan den Heer Burgemeester te Grijpskerk
Dat de vrouw van Cornelis van der Ploeg, hoewel nog ziek, begint te herstellen. Ik kan niet ontkennen dat de oppassing van de vrouw van Cornelis van der Ploeg zeer kostbaar is.
Men moet echter daarbij in aanmerking nemen, dat de man op 74-jarigen leeftijd [64] zich in een staat van onnozelheid en kindsheid bevindt, en zich zelve niet kan helpen, evenzeer als de zieke vrouw gestadig oppassing behoeft, is het niet te veel. En [daarbij] kan men nog moeijelijk daarvoor iemand krijgen, omdat veel menschen voor dien man bevreesd zijn. De oppassing zal echter niet langer voortduren als hoogstnoodzakelijk is.

Brief 29-3-1867 van Burgemeester Loman aan B&W te Grijpskerk
Omtrent het ingenomen besluit betreffende Cornelis van der Ploeg te moeten opmerken, dat die man thans ernstig ongesteld is, dat hij doordien al jaren lijdende aan zwakte in het hoofd, zoodat hij oogenblikken heeft waarin men hem voor innocent zoude kunnen verklaren, en hij daardoor geenen geregelde werkzaamheden meer kan verrigten, dat de bedeeling ad f 1,- per week volgens UEdA besluit moet eindigen en eene bedeeling van f 0,50 per week voor oude lieden ontoereikend in de winter is, dat eenen overeenkomst ingevolge xx44 niet mogelijk is, en het alsnog was te vreezen, hij geheel innocent werd, weer verondersteld dat hij met zijne vrouw hen xxxxx voor geene gulden zoude kunnen onderhouden, waarom wij de vrijheid nemen UEdA beleefdelijk te verzoeken het genomen besluit in gunstige overweging te nemen.

Almert Visser
Brief van Burgemeester Keijser 29-3-1859 Aan den Heer Schoolopziener
Dat op zijn verzoek eervol is ontslagen Almert Visser, als onderwijzer aan de school van de Waal, omreden van voortdurende zielsgebreken.

Brief van Burgemeester Keijser 25-7-1859 Aan de Heeren GS van Noord Holland
Verklaring van 2 geneeskundigen alhier betreffend de ziels- en ligchaamstoestand van A. Visser, ontslagen onderwijzer van de school aan de Waal alhier.

Jakob Schoen (1800-1888)
Huizinga 22 April 1873. Jakob Schoen was ziek geweest, men dacht dat hij geheel krankzinnig zou worden, hij was het soms, viel overal neer of liep als een razende. Nu weer hersteld.

Aafje Boon (1816-1881)
Huizinga 24 Mei 1881. Bij Klaas Mantje c.s. Ik vond de vrouw in een allerbeklagelijkste toestand van krankzinnigheid in eene ziekenstoel zittende bij hare dochter Trijntje en haar schoonzuster. Zij herkende mij terstond maar terwijl zij mijne hand greep en voorts stevig vasthield raaskalde zij onophoudelijk zoodat ik geen woord kon spreeken. Diepbedroefd zaten die 2 ander vrouwen daarbij, nevens mij. Met moeite gelukte het mij uit hare handen te komen.
Zij is overleden op 30 Mei 1881.

TEXELAARS NAAR HET GEKKENHUIS te DEVENTER
Brief 27-10-1866 Prijsopgave gekkenhuis te Deventer ‘voor eene behoeftige lijder in de laagste klasse’.
Brief 31-10-1866 C.J. Galama naar Deventer
Brief 1-11-1866 Op verzoek van den Heer Directeur der Gestichten Ommerschans en Veenhuizen tot plaatsing in een Gesticht voor Krankzinnigen van de persoon van Cornelis Johannes Galama ten koste van zijn onderstands domicilie Texel, alwaar hij is geboren den 25-12-1830.
Brief 20-11-1866 Dat de persoon van Galama C.J. werkelijk den 25-8-1830 alhier is geboren, en alzoo zijn domicilie van onderstad alhier kan worden erkend.
[zijn vader Sipke Jansz Galama was per 1-7-1828 benoemd als Eilandsdoctor, in 1831 naar Sneek vertrokken, wat Texel maakte tot het Onderstandsdomicilie van Cornelis, zodat de gemeente Texel voor zijn verpleging moest betalen]

Jannetje Moojen (1825-1860)
Brief 24-7-1849 Aan de Burgemeester van Helder
Dat door mij hierbij gevoegd worden de f 52,- verplegingskosten voor Jannetje Mooje in het krankzinnige gesticht te Deventer. Tevens ons voornemen mede te deelen voornoemde Jannetje Mooje als nu te doen transporteren naar het Provinciaal gesticht Meerenberg bij Haarlem. Het zou mij alzoo aangenaam zijn van voornoemde Heeren Bestuurders te mogen vernemen, met de toezending van de kwitantie, welke de meest geschikte tijd en tevens minst kostbaarst zou zijn waarop zoodanige verpligtingen zou kunnen geschieden.

Brief 6-8-1849 Burgemeester van Alkmaar
Dat Jannetje Mooijen in het najaar van 1848 wegens ziekte en zinsverbijstering in geheele verpleging was opgenomen. Aldaar Jannetje Mooijen is geboren op Texel, doch ter zake van hare Onderstand gedomilieerd aan den Helder, terwijl aangezien de volslagene krankzinnigheid in dat Meisje meer en meer bleef, het voor genoemd Gemeentebestuur na haar bekomen magtiging, haar opneming had bewerkstelligd in het Krankzinnigengesticht te Deventer, waar zij zich dan ook nog heden bevindt.
Ingevolge van het Koninklijk Besluit van den 19 Januarij El N 59 (Provinciaal blad N 16) is de verpleging dier krankzinnige thans overgegaan op hare geboorteplaats zoo als dan ook reeds sints dien tijd voor dat bestuur de kosten in dat Gesticht zijn betaald geweest. Nu echter is dit Gemeentebestuur van Texel, thans na de opening van het Krankzinnigengesticht Meerenberg te volgen, te rade geworden den voorzeide krankzinnige naar het zelve te verplaatsen en is daartoe dan ook reeds tot dat einde in overleg gehouden met de Directie van het Krankzinnigengesticht te Deventer, welke laatste echter zoodanige overplaatsing niet vermag te doen plaatshebben tenzij met bewilliging der daarbij betrokken Regtbank.
Ik geef mij alzoo de eer mij tot UEdAcht te wenden met beleefd verzoek om door xxx van UEdA te mogen bekomen de vergunning tot overplaatsing der krankzinnige Jannetje Mooije uit het Gesticht voor zoodanige lijders naar dat te Bloemendaal, onder geleide van een geschikt persoon met de gewonen beurtman in Deventer op Haarlem.

Brief 18-3-1850 Aan de Officier van Justitie over de positie van Jannetje Moojen.
Dat nog steeds het voornemen bestaat Jannetje Moojen naar het Gesticht Meerenberg overteplaatsen, echter wordt de opname in genoemd Gesticht, de wijze van overbrenging enz dient te worden geregeld

TEXELAARS NAAR MEERENBERG

Hiltje Eelman (1822-1879)
Brief 4-5-1850 Hiltje Eelman, huisvrouw van G. Luytze. Meningsverschil met de gemeente Zijpe over haar domicilie van onderstand.

Brief 25-5-1850 Dat het naar mij voorkomt, niet noodig zal zijn of worde uitgemaakt of deze of UEdA gemeente als het onderstandsdomicilie van de huisvrouw van G. Luijtse tot voldoening harer verplegingskosten verpligt is, aangezien volgens mij geworden informatien hare vader Leendert Eelman een in zijn stand zeer gegoed man is, en immers dan alleen de hulp van en Armbestuur kan ingeroepen worden, wanneer de naaste betrekkingen van den armlastigen niet in staat zijn de gegevene onderstand te kunnen restitueren, dat in deze volstrekt het geval niet schijnt te zijn.

Brief 10-7-1850 Aan de Burgemeester van Zijpe Dat het onderstandsdomicilie van de krankzinnige huisvrouw van Luitse dezerzijds niet wordt erkend.

Brief 1-8-1850 Het onderstandsdomicilie van de huisvrouw van Luytse wordt op Texel erkend (maar Burgemeester wil haar familie laten meebetalen)

14-7-1852 Hillegonda Eelman, huisvrouw van C.K. Luitze in Meerenberg

Brief 7-7-1855 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Hillegonda Eelman, [wordt verpleegd] in het Gesticht Meerenberg voor onze rekening. Verklaring strekt tot bekoming van een nieuwe magtiging om voornoemd persoon in genoemd Gesticht te mogen verplegen.

Brief 1-11-1871 Burgemeester van Anna Paulownapolder
Eene missive van den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg en een verklaring van de Geneesheer betreffend zekere Hillegonda Eelman, aldaar voor rekening dezer Gemeente verpleegd wordende. Mogt Cornelis Klaasz Luitsen in staat zijn de kosten geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening de verpleegkosten te voldoen, dan zou het mij aangenaam zijn.

Hiltje Eelman was geboren op 11-5-1822 in de polder Burger Nieuwland, dochter van Leendert Eelman en Grietje List. Getuige bij de aangifte van haar geboorte door de vader waren Albert Mulder (27), landbouwer wonende in Waalenburg en Gerrit List, klerk ter secretarie, uit den Burg. Hiltje was getrouwd met Cornelis Luitse (1819-18). Hiltje is op 22-5-1879 gestorven in Bloemendaal, maar ingeschreven op Texel]

Leentje Bruining
15-10-1853 Aan armverzorgers der RC gemeente aan den Burg
Dat Leentje Bruining als volkomen hersteld uit het Gesticht Meerenberg is ontslagen en op het Register aldaar is afgeschreven. Dit bestuur heeft diensvolgens aan haar geene verpligting meer, en is alzoo van haar ontslagen. Als lid van UEd kerkgenootschap bevind zij haar thans van heden af voor rekening Uwer Adminstratie bij Jan Jacobsz Verberne.

Hiltje Zoetelief (1821-1878)
17-5-1858 Aan de Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Dat zekere Hiltje Gerbrandse Zoetelief geboren en wonende alhier, plotseling in zoodanige staat van verstandsverbijstering is vervallen, dat ik verpligt ben geweest, om de veiligheid van personen, maatregelen te moeten nemen, tot eenzame afzondering, waarom het volstrekt noodzakelijk is dat genoemde persoon dadelijk worde getransporteerd in het Gesticht Meerenberg.
[dat moet Hillegonda zijn, dochter van Gerbrand Simonsz Zoetelief en Antje Dirks Gorter (haar grootmoeder was Hilletje Hendriks Dijt). Hiltje was geboren in 1821, gestorven in Bloemendaal in 1878]

17-5-1858 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg
Dat dezer dagen plotseling eene ongehuwde vrouw van de onvermogende stand dezer gemeente, in staat van krankzinnigheid is vervallen, zoodanig dat eene spoedige opname in het Gesticht Meerenberg volstrekt noodzakelijk is. Ik verzoek UEd mij alzoo peromgaande, te willen berigten of deze patient voor rekening dezer gemeente in het Gesticht kon worden opgenomen en tevens dan de noodige staten te willen toezenden.

Jacoba Schellevis (1807-18xx)
5-8-1859 Aan B&W van Helder
Gevraagd magtiging, om voor rekening dezer gemeente te doen plaatsen in het Krankzinnigengesticht Meerenberg, de persoon van Jacoba Schellevis, weduwe van Simon Klasbak.
[Jacoba Schellevis was geboren in Oudeschild, op 19-4-1807, dochter van Hendrik Schellevis en Martje Baas]

Melle Zegel (1826-1884)
27-4-1860 Aan de Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg
Dat de krankzinnige Melle Zegel, niet anders als zoodanig is genaamd, als zijnde een onechte zoon van Jannetje Zegel
Dat de naamstelling van Melle Veen Zegel is gegrond op eene fautieve opgave, aan de Officier van Justitie gedaan
Dat de vrouw van Melle Zegel is genaamd Maartje Pieters Troost.
21-11-1873 Melle Zegel te Meerenberg

Frans Beumkes
4-9-1861 B&W van Helder
Dat voor onze rekening kan worden genomen de kosten van verpleging in het Gesticht Meerenberg van Frans Beumkes, alhier geboren, en welk bewijs is verlangd bij UEd missive dd 3 dezer N 129/1033

Pieter Visser
19-11-1861 [Gemeente Helder heeft de loods Pieter Visser laten verplegen en bewaken voor f 1,50 per etmaal, of f 10,50 per week. Gemeente Texel neemt daarin geen genoegen] en vordert dat hij dadelijk worde opgezonden naar het Gesticht Meerenberg, daar is eene herstelling om de inrigting spoediger te verwachten, en kan de patiënt voor minder dan het halve wachtgeld worden verpleegd als wanneer hij geene ondersteuning van zijn geboorteplaats noodig heeft.

Pietertje Plavier (1798-1865)
19-5-1863 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Pietertje Plavier, ongehuwd, zonder beroep, alhier wonend, lijdende aan krankzinnigheid, waarom eene verpleging in een Geneeskundig Gesticht en wel te Meerenberg noodzakelijk is. Ze heeft geen familie of voogd, verzoek opname door U of ambtshalve.
[Pietertje was geboren in 1798, gedoopt op 27 mei, dochter van Hendrik Abrahams Plavier en Lijsbeth Pieters Boerhorst. Ze is op 2 april 1865 in Bloemendaal gestorven.
Pietertje was de jongste van 8 kinderen. Haar vader is gestorven in 1812, haar moeder in 1835. Van de broers en zusters was alleen Marretje nog in leven, getrouwd met Reindert Dirksz de Vries, die al een gezin met 6 kinderen had. Zus Aagje was ook getrouwd, maar driekwart jaar na het huwelijk met Hendrik Nannings gestorven in 1816. Van de andere broers en zusjes is niets bekend]

29-5-1863 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Dat Pietertje Plavier maandag eerstkomend naar Meerenberg zal worden overgebragt. De politiebeambten hebben in deze week veel werk gehad, en omdat de overbrenging van de patiente niet zoo noodzakelijk was, en aangezien zij volgens ons oordeel niet gevaarlijk is, heeft het Gemeente Bestuur geoordeeld met de overbrenging te wachten tot na de Pinkster.
[Pietertje was voor niemand gevaarlijk, maar ze had geen familie meer die zich om haar kon bekommeren. Voor zulke mensen zocht de Burgemeester een “goed tehuis”]

Flip Veen (1829-1880) broer van Melle Zegel
23-2-1850 Dat ik in de dringende noodzakelijkheid ben geweest om heden in bewaring te stellen de persoon van Flippus Veen, minderjarige zoon van Melle Veen, sjouwerman te Oudeschild, als welke van reeds tot eenen geruimen tijd blijken gegeven te hebben van tijdelijke verstandsverbijstering thans in zoodanige vlagen van krankzinnigheid is vervallen, dat hij gevaarlijk naar de publieke rust en veiligheid is geworden.

xx-6-1864 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Over Philippus Veen, dat ik op gisteren mij verpligt heb gevonden den persoon van Philippus Veen in verzekerde bewaring optenemen, voor waarborg van de Openbare veiligheid. P. Veen is voor eenige jaren ook in het Gesticht Meerenberg wegens krankzinnigheid verpleegd geweest. [Nu schijnt die ziekte terug te komen] [hij was] gisteren in hoge mate van opgewondenheid, tusschenpozend met vlagen van krankzinnigheid en razernij, waarbij hij niemand onverlet konde laten, en zelfs in de huijzen der Burgers indrong.
Verpleging in Gesticht Meerenberg noodzakelijk

Geen datum (rond 7-8-1867) Aan de Heeren Gedeputeerde Staten van Noord Holland
Flip had meegedaan met ‘zeeroof’, wat uitliep op gevangenisstraf. Daar kon hij niet tegen.
Dat de gedetineerde in de cellulaire gevangenis te Amsterdam met name Phillippus Veen was krankzinnig geworden en dat zijne verpleging in het Gesticht noodzakelijk was [maar wie moet dat betalen?]

[B&W 10-7-1867. Dat door de vrouwen van C. Vlas, C. Dogger en G. Former en de Moeder van C. Koopman het verzoek is gedaan om eenige onderstand tijdens hunne mannen en zoons hunne straftijd ondergaan (Flip Veen, Meijert Vlas, Gerrit Hoogerheide, Cornelis Koopman, Cornelis Dogger, Hendrik Koopman en Gerrit Former, net als Frederik van der Vis veroordeeld wegens zeeroof (zie bij 24-7)). Besloten ieder van hun eenen wekelijksche bedeeling te geven van twee gulden per week.
B&W 24-7-1867. 2 Missive van den Controleur over de Ambulante Recherche te water.
3 De weduwe J. van der Vis verzoekt om gedurende de gevangenisstraf van haar beide zoons eenige ondersteuning te mogen erlangen. Zij krijgt F 1,50 per week.
[Het lijkt hier te gaan om de geschiedenis die door Frederik van der Vis is verteld in zijn Levensverhaal over de berging van goederen uit de ‘Adriana Martina’. Hij noemde geen jaartal. Frederik en zijn companen (Simon van der Vis, Jan Wuis en Jacob Duinker) werden beschuldigd van zeeroof, zij moesten tenslotte voor 6 maanden de gevangenis in. In een artikel van Cor Rey (blad HV-Texel nr. 11) over dit geval staat het jaar 1868 genoemd voor deze stranding]

12-9-1867 onleesbare brief over Flip Veen

8-10-1867 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg over de financiering van Flip Veen.

Flip Veen is in 1880 bij de oefening met de reddingsboot onder die boot geraakt toen die omsloeg en daarbij verdronken.

Pieter Ruygh
9-12-1864 Aan de Heeren Burgemeester en Wethouders van den Helder
Dat door ons wordt toegestemd in de verpleging van Pieter Ruygh in het Gesticht voor Krankzinnigen Meerenberg voor rekening dezer Gemeente, tenblijke waarvan eene verklaring dat deze Gemeente voor de kosten instaat hierbij wordt overgelegen.

27-2-1865 Aan Burgemeester te Helder
Mij het bewijs van onvermogen van J. van Willigen, weduwe P. Ruigh, te willen doen geworden.

Trijntje Boon (1830-1877)
27-5-1865 Burgemeester van Alkmaar
Trijntje Boon naar Meerenberg, ook Louisa Ceczinsky

Louisa Ceczinsky
De vader van Louisa was politieagent geweest op Texel, dat was haar onderstandsdomicilie.
27-5-1865 Burgemeester van Alkmaar
Trijntje Boon naar Meerenberg, ook Louisa Ceczinsky
1-6-1865 Burgemeester Amsterdam
Om de overbrenging van Louisa Ceczinsky naar Meerenberg van Amsterdam te willen bewerkstelligen

Cornelis Lieuwen (1826-1870)
27-6-1865 Besluit BM Texel,
gelet op het verzoek van Cornelia de Ridder om geneeskundige verpleging van haren man Cornelis Lieuwens, welke is lijdende aan verstandsverbijstering,
verstrekt geneeskundige hulp en tevens bewaking ten zijnen huize, welke zoo min kostbaar mogelijk zal worden gesteld, voor rekening van zijn Onderstands Domicilie Terschelling, alwaar hij is geboren 30-11-1826.

19-7-1865 Burgemeester van Terschelling
De toestand van Cornelis Lieuwen is zoodanig, dat eene plaatsing in een Gesticht voor Krankzinnigen noodzakelijk mag geacht worden.

26-7-1865 Burgemeester van Terschelling
Magtiging plaatsing Cornelis Lieuwen in het Gesticht Meerenberg

26-7-1865 Brief daarover aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal

18-9-1865 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal
Dat Jacob Verberne woensdag morgen per boot van hier vertrekt en des middags van dien dag zich bij UEd zal aanmelden, tot afhaling van C. Lieuwen, voorzien van de noodige kledingstukken voor genoemde persoon.

10-11-1865 Aan Burgemeester en Wethouders van Terschelling
Wij hebben de eer UEdAchtb intezenden eene declaratie wegens geneeskundige hulp, transportkosten naar Meerenberg en terug, benevens waarloonen ten behoeve van C. Lieuwen, in Uwe gemeente domicilie van onderstand hebbende, ten bedrage van f 100,22, met beleefdelijk verzoek de spoedige voldoening daarvan bevorderlijk te willen zijn.

1-12-1865 Aan de Heeren Armvoogden der Algemene Armen te Terschelling
Uwe missive met eene postwissel f 106,32,1/2 ter voldoening wegens verleende onderstand aan Jacob Schaap en Cornelis Lieuwen, de declaratie behoorlijk voldaan geteekend gaat hiernevens.

Hendrik Zoetelief (1823-1879)
7-1-1855 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Dat zekere persoon, genaamd Hendrik Zoetelief, ongehuwd schoenmaker alhier, sedert den 1e dezer blijken heeft gegeven van krankzinnigheid, welke in ernst toeneemt, dat ik het noodig heb geoordeeld, den zelve op eene doeltreffende wijze in bewaring te stellen.
Naar Meerenberg.

22-9-1865 Aan den Heer J.J. Vonk, procureur te Alkmaar
stukken enz aanvragen om H. Zoetelief naar Meerenberg te sturen

8-6-1868 Hendrik Zoetelief naar Meerenberg

2-7-1868 Aan den Heer Medisch Directeur van het Gesticht Meerenberg
Over Zoetelief naar Meerenberg: de patient is sedert eenige dagen min of meer gevaarlijk, zoodat het wenschelijk is dat hij onder behandeling komt. Dat hij morgen per eerste gelegenheid van hier zal vertrekken, zoodat hij ongeveer ten tien ure ten Uwent zal kunnen zijn.

6-8-1874 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal
Of er gelegenheid bestaat tot verpleging in het Gesticht van Hendrik Zoetelief, reeds meermalen verpleegd geweest, en zulks voor rekening van het Roomsch Catholyk Parochiaal Armbestuur aan den Burg alhier in de 5e klasse.
[Hendrik Hendriksz Zoetelief (23-1-1823, gestorven op 6-4-1879 in Bloemendaal), zoon van Hendrik Simonsz Zoetelief en Grietje Simons Smit, vader overleden in 1853 en moeder in1823 (4 dagen na de geboorte van Hendrik). Ongehuwd.

Trijntje Roeper (1841-1895)
27-8-1866 Aan de Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg nabij Haarlem
Door den WelEdele Heer J.C. Voute, Procureur te Alkmaar, zal aan de Regtbank aldaar magtiging worden gevraagd tot plaatsing in het Gesticht Meerenberg van Trijntje Roeper, huisvrouw van Kors List, veehouder binnen deze gemeente woonachtig. Genoemde lijderes voor eigen rekening in de 4e klasse van het Gesticht verpleegd zullende worden, zoo zoude het mij aangenaam zijn van UEd de stukken daartoe benoodigd te mogen ontvangen, ten einde dezelve in order te kunnen maken.
[Trijntje (1841-1895) was getrouwd met Cornelis List (1835-1913). Zij was op 27 juni 1866 bevallen, zodat aan een milde postpartum depressie valt te denken]

20-9-1866 Trijntje Roeper is erg opgeknapt, hoeft niet naar Meerenberg

Aagje Dogger (1830-1910)
3-1-1867 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg nabij Haarlem
Simon Salm heeft het voornemen zijne vrouw, die in het Gesticht voor Krankzinnigen te Meerenberg wordt verpleegd, daar van aftehalen en voortaan bij zich te houden. Hij wenschte daartoe in de loop der volgende week ten uwent te komen en zijn vrouw medetenemen, indien daartegen van Uwe zijde geene bezwaren bestaan.
[Hun eerste kind was in 1865 geboren. Het stierf op 4 mei 1867. Ondertussen was de moeder in Meerenberg opgenomen. Daarna kregen ze op 12 januari 1869 een zoon en op 26 december 1869 een dochter, waarover verder niets in het geslachtenboek staat. Het laatste kind leefde van 18 juli tot 9 augustus 1871]

Elisabeth Schagen (1848-1888)
11-4-1868 Aan de Diaconie der RC Gemeente aan den Burg
Door den Regenten van het Algemeen Weeshuis alhier is ons mededeeling gedaan, dat Elisabeth Schagen in den loop dezer maand den ouderdom van 20 jaren zal bereiken en mitsdien ingevolge Art. 9 van het Reglement van gezegd Weeshuis zal moeten worden ontslagen. Aangezien nu die persoon tot de Roomsch Catholieke Gemeente aan den Burg behoort, en vooralsnog geene middelen van bestaan heeft, zoo noodigen wij UEd beleefdelijk uit genoemd persoon, hetzij door plaatsing in het Gesticht voor RC armen alhier, hetzij op andere wijze te willen verplegen en in haar verder leevensonderhoud te willen voorzien.
[Elisabeth was geboren op 24-4-1848, dochter van Jan Schagen (Oudeschild 1810-4 juli 1854 Burg) en Adriana Theuns (Ossendrecht 1815/16, gestorven op 23-3-1854 Burg). Hun kinderen waren de tweeling Cornelis (1843-1878) en Pieter (1843), Reinoutje (1845-1872 Helder), Susanna (1846-1895 Helder) en Elisabeth. Ze is overleden op 19-12-1888 in Bloemendaal].
22-7-1872 Elisabeth Schagen naar Meerenberg
3-12-1877 Elisabeth Schagen in Meerenberg

Jantje Koorn
Huizinga 8 Februari 1869. Jantje Koorn, huishoudster van Jan Dirksz Bakker, die opeens in erge mate krankzinnig was geworden, zoodanig dat men haar naar het Gesticht had moeten vervoeren.

10-2-1869 Aan den Heer Directeur van het Krankzinnigengesticht Meerenberg
Of de gelegenheid bestaat tot opname in het Gesticht Meerenberg, voor rekening dezer Gemeente, van een binnen deze Gemeente wonende dienstbode met name Jantje Koorn, lijdende aan krankzinnigheid en daarvan de opname zoo spoedig mogelijk vereischt wordt.

6-3-1869 Loman informeerde naar de persoon van Jantje Koorn, sedert eenige tijd ter verpleging in het Gesticht en vroeg gelijk ‘of de persoon van Roel Steinfort nog in het Gesticht wordt verpleegd dan wel of hij is overleden. In het laatste geval zou ik gaarne de datum vernemen’.

6 Mei 1869. De meid Jantje Koorn gezien die dezer dagen na 3 maanden verblijf in Meerenberg is teruggekeerd en daarvan vele verhalen doet.

Roel Steinfort
6-3-1869 Loman informeerde naar de persoon van Jantje Koorn, sedert eenige tijd ter verpleging in het Gesticht en vroeg gelijk ‘of de persoon van Roel Steinfort nog in het Gesticht wordt verpleegd dan wel of hij is overleden. In het laatste geval zou ik gaarne de datum vernemen’.

Poulus Kikkert
14-12-1869 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg
Opname in het Gesticht van de persoon van Paulus Kikkert, oud 30 jaren, zoon van Albert Kikkert, veehouder alhier, en wel in de 4e klasse. De verpleging in het Gesticht is hoogst wenschelijk. De bescheiden daartoe benoding zal ik dan van UEd tegemoet zien.

13-5-1870 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal
Paulus Kikkert wordt in de 4e klasse verpleegd in het Gebouw Meerenberg. Zijn vader is het onmogelijk dit te betalen. Kan Paulus Kikkert naar de 5e klasse en alzoo te verplegen voor rekening van de Gemeente?

11-1-1872 Aan de Weledele Heer H. Vonk te Alkmaar
Verzoek magtiging aan de Rechtbank aantevragen en naar de Heer Directeur te Meerenberg optezenden. Paulus Kikkert is in het begin door zijn Vader verpleegd geworden in het Gesticht Meerenberg, doch aangezien dit voor die man te zwaar viel, is hij aan de gemeente overgedragen.

Aaltje Burger (1850-1913)
Huizinga 14 July 1875. Lammert Bas zijn vrouw heeft thans de 2 kinderen van haar zoon te verzorgen wiens vrouw op Meerenberg wordt verpleegd.
[Pieter Bas was getrouwd in 1871 met Aaltje Burger. In 1875 waren er twee kinderen, Gerrit van 3 jaar en Clasina van 1 jaar, later kwamen er nog 6 kinderen]

Albert Keijser (1812-1894)
Huizinga 16 Augustus 1852. Albert Keijser zijn gedrag wordt zeer dwaas genoemd.

Huizinga 24 Juny 1856. Albert Pietersz. Keijser gaat naar Meerenberg.
Ruzie over diens zaken met Bok. Simon Sijbrandsz. Keijser zou zoo de zaak niet getermineerd werd, de carrière van de jonge Willem Bok zou bederven en daarbij de oude Willem Bok aan de kaak zou stellen
.

Huizinga 7 July 1858. Jakob Roeper vreest dat Albert Keijser eenmaal weer op Meerenberg of agter de tralies gebragt moet worden, hij was deze dag nog aan het vechten geweest met Jan Boon. Hij kan Bok soms vreeselijk bedreigen, vloeken en tieren. Huizinga probeert Keijser weg te houden van de hooiveiling die aan notaris Bok was gegund (die hem, Keijser, ƒ 8000,- had ontstolen).

Brief van Burgemeester Keijser 28-4-1855 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Proces verbaal Geregtsdienaar K. Dijksen contra Albert Keijser, veehouder alhier, wegens verregaand verzet en beleediging.

Huizinga 21 Mei 1873. Wij hadden een zeer onrustige nacht ... ik hoorde een woest geroep en noodgeschrei op straat. De meid was reeds de deur uit om te zien wat er gaande was. Ik zag op de Steenen Plaats eenige mannen worstelen in tegenwoordigheid van veel toeschouwers. Ik dacht dat het weer een jammerlijk toneel van dronkenschap was waaraan ik niets verbeteren kon. Ik zag een man op de rug liggen met handen en voeten zich verweerende. Het vreeselijk bulken en jammeren hield een vol uur aan, tot bij 5 uur. Ik vernam dat Albert Keijser geweest was die naar het krankzinnigengesticht Meerenberg vervoerd zou worden en zich daartegen te weer stelde. Toch is het uiteindelijk gelukt hem te binden en op een wagen met stroo naar de haven en zoo verder te vervoeren.
24 Mei 1873. Klaas Bakker noemde het vervoer van Albert Keijser zooals het had plaatsgehad een schandaal. De volksmenigte aan het Oude Schild was er bijkans aan toe om hem te ontzetten.
Kapitein Mets verhaalt van de beweging op de haven l.l. donderdag met de overvoer van Albert Keijser, het scheelde weinig of men had hem met geweld ontzet. Hartroerend was zijn bidden en smeeken om redding, hartroerend zelfs het gezigt van de grijsaard gebonden op de wagen. Aan ‘t Nieuwe Diep had Keijser de stationschef laten komen om te oordelen of hij iets buitengewoons aan hem bespeurde
.
[Men schreef hierover ingezonden brieven in de Heldersche Courant]
Op 17 Juny was Huizinga bij Albert Keijser, hijzelf te Meerenberg, de vrouw en dochters verhalen de toedracht der zaak. Zij zijn zeer weemoedig, maar het moest gebeuren.

Brief van Burgemeester Loman 24-5-1873 Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal
Intezenden een extract van de geboorteacte van de in het gesticht Meerenberg verpleegde persoon van Albert Keijser.

Huizinga 26 July 1874. Met Albert Keijser is het hoofd weer geheel in de war. Hij slaapt ‘s nagts niet en is dagelijks op ’t maai en hooiland, en tiert en raast.
27 July 1875. Ik had inmiddels de dood van Keijser’s schoondochter aan de Waal vernomen en heb aldaar de diepbedroefde dochters toegesproken. Wat haar droefheid nog zeer verhoogde was vooral de wederkeerende krankzinnigheid van de vader.

Huizinga 30 September 1875. Kamerdag aan de Waal. Die avond beproefde men met 2 mannen van Meerenberg gezonden om Albert Keijser daarheen weg te voeren, waardoor aan die lang geplaagde familie eindelijk rust werd verschaft.

Huizinga 19 Mei 1881. In het gezin van Albert Keijser allen in vrij goede welstand. Hij zelf door Jans nog onlangs bezocht en in goede welstandgevonden, maar volgens algemeen getuigenis daar te Meerenberg was hij nog steeds ongeschikt om in het maatschappelijk leven terug te keeren, hoezeer hij het zelf ook wilde, verlangende naar vrouw en kinderen. Hij had het daar uitmuntend. Hoe hij nogal te spoedig weer in drift kan ontsteken had Jans gemerkt toen hij geene vrijheid kon krijgen om aan haar de tuin te laten zien. Maar hoe men ook spoedig hem wist te kalmeren.

Jan Keijser (1808-1875)
8 December 1875. Dirk Jansz. Keijser zijn vader is onlangs naar den Burg overgebragt, ziek zijnde. Jan Keijser heeft 29 jaar in eenzaamheid doorgebragt. Hij is thans nog blijkbaar niet goed bij zinnen. Gesprek over zijn vroeger treurig leven. Hij bewaarde nog steeds oude bankbriefjes en munten, thans buiten koers.

Naatje Kooiman (1839-1915)
Huizinga 3 July 1874. Jakob Kooiman hier sprekend over de treurige toestand zijner zuster Naatje, die wel naar een krankzinnigengesticht vervoerd zal moeten worden. Hij kwam vragen welk Gesticht de voorkeur verdiende, ik dacht aan Meerenberg.

Brief van Burgemeester Loman 31-8-1874
Aan den Heer Directeur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal
Ik heb de eer UEd te berigten dat Annaatje Kooiman, huisvrouw van Cornelis B. Bakker op woensdag 2 September aanstaande van hier zal worden xxx en per eerste spoor van den Helder naar het Gesticht zal worden overgebragt. Bij de Nederlandsche Bank te Amsterdam is heden ten hare behoeve f 235,- gestort.
Brief aan de Bank: de somma van f 235,- namens Cornelis Bouwensz Bakker, zijnde de bepaalde som xxx maanden verpleging xxx Annaatje Kooiman.

Huizinga 31 December 1876. Vanmorgen was Naatje Kooiman bij ons ter Kerk aan de Burg. Voor eenigen tijd uit Meerenberg gekomen waar ze eigenlijk ook nu nog te huis behoort.

Trijntje Koning
Huizinga 4 Juny 1879. Bij Albert Koning c.s. gesprek over de geneeskunde en haar steeds gebrekkige resultaten, bij de groote resultaten der chirurgie. Koning hield het er voor dat de wetenschap eens alle bezwaar zou overwinnen, dat de Schipper van het Heelal voor alle kwalen der menschheid ook de middelen tot herstel gegeven zal hebben, al is het dat die eerst na verloop van eeuwen zullen worden gevonden. Hij spreekt met veel gevoel over de toestand van zijne
vrouw na 7 jaar in Meerenberg nog altijd dezelfde.
[Albert Jansz Koning en Trijntje Pieters Koning]
25 Juny 1879. Gerrit Bakker kon soms niet slapen van de gedachte dat sommigen ligtzinnig spraken over God en Onsterfelijkheid, zooals Albert Koning die zijn twijfel aan het Godsbestuur krachtig had uitgesproken, want hoe zou het dan mogelijk zijn dat zijne vrouw al 7 jaar in Meerenberg moest verwijlen terwijl haar plaats in het huisgezin was. Koning had dit gezegd tegen Dominee Gelderman.

Ida Vermeulen
28-7-1877 Aan den Heer Diecteur van het Gesticht Meerenberg te Bloemendaal
Is er plaats voor eene lijderes van ruim 17-jarige leeftijd voor rekening dezer gemeente?
3-8-1877 [Haar naam is] Ida Pieternella Vermeulen.

Cornelis Hin (1812-1878)
14-4-1878 Aan den Heer Officier van Justitie te Alkmaar
Verdrinking van Cornelis Hin in eene kolk nabij zijne woning. [Deze is] in 1873 en 1874 in het Gesticht Meerenberg verpleegd geweest en als hersteld bij zijne zoon Jacob Hin en vrouw alhier komen inwonen. Sinds eenige tijd was hij werder lijdende aan melancholie en hoewel hij door zijne kinderen goed bewaakt werd, heeft hij zich in eene vlaag van zwaarmoedigheid het leven benomen.
Cornelis Hin had dikwijls aan hen (Jacob Hin en vrouw) te kennen gegeven om hem te eeniger tijd, hier of daar door zoude vinden. Dat hij de geheele morgen op het land werkzaam was geweest en bij het lammen der schapen geholpen, doch op een oogenblik hem missende en Jacob Hin naar hem zoekende, hem voorover in eene kolk vond liggen, eenige buren ter assistentie roepende hem daaruit hebben gehaald, en [dat hij] geenen de minste tekenen van leven gaf, [zodat ze hem] daarna naar huis hebben gebracht en in een zijvertrek op de grond hebben nedergelegen, alwaar wij het genoemde lijk hebben gezien.
Aan eenige misdaad valt hoegenaamd niet te denken.


MEERENBERG
Wat een droevige gedachten wekt die naam bij ons op! Het is het groote gesticht voor lijders aan die treurigste aller krankheden, die het menschelijke in den mensch verwoest.
Ja, ’t is een gesticht, maar meen niet dat het een gevangenis is, waar de rampzalige krankzinnige, als een wild dier gekeetend … als een aardigheid den volke vertoond wordt.
Dit rasterwerk omringd een buitenplaats, ruim 32 bunders groot, met een statig, vroolijk paleis, een park met sierlijke boomgroepen en gazons, een helder meertje en lieflijke bloemen. Het is noodig, om den lijders het ontvlugten te beletten.
De voorzorgen, die het belang der maatschappij zoowel als het welzijn der verpleegden eischt, zijn genomen. Maar zoo weinig als maar mogelijk is, knelt de band, en de arme krankzinnigen op Meerenberg zijn zoo gelukkig als hun toestand vergunt. Wie zonder gevaar de omheining kunnen verlaten, hebben daartoe de vergunning. Welligt ziet gij er een enkele wandelen in het gezelschap van een bewaker. Maar ook wie binnen het rasterwerk moeten blijven, vinden er een uitgestrekt terrein, in twintig afgesloten tuinen verdeeld, waar zij kunnen wandelen of werken, rusten of zich met spelen en lichaamsoefening vermaken.
Het hoofdgebouw bevat, behalve de vertrekken voor directie en beambten, de slaap- en zitkamers der patiënten, die in 5 klassen zijn verdeeld. Maar ook school en schouwburgzaal ontbreken er niet, evenmin als de kerken voor Protestanten en R. Catholieken. De mannen bewonen de ene, de vrouwen de andere zijde van het grote gesticht, dat niet veel minder dan 1000 menschen herbergt.
Zowel door het verschaffen van werk als van uitspanning, door wat het gemoed tot rust kan brengen als door wat het lichaam kan genezen, wordt door de bekwame geneeskundigen met hunne helpers het noodige gedaan, om herstelling aan te brengen of althans de ellende te lenigen. Menschkundig en liefdevol is de behandeling, die de ongelukkigen er ondervinden.
De provincie Noord Holland heeft een goed werk gedaan, toen zij in 1843 eene aloude, schoone buitenplaats in het schoonste deel van Holland niet te goed achtte, om haar te koopen en interigten tot een verblijfplaats voor krankzinnigen.

Wandelingen door Nederland, Noord Holland, door J. Craandijk, verschenen tussen 1882 en 1890, uitgave Europese Bibliotheek, Zaltbommel 1968.



Terug naar de vorige bladzij